Het roven van kunst is een eeuwen oude praktijk. Zo werden rond 1800 dertiende eeuwse Singosari-beelden uit Oost-Java meegenomen, welke nu te zien zijn in het Nationaal Museum van Wereldculturen en treft men in het Rijksmuseum een diamant aan die aan de sultan van Banjarmasin toebehoorde en in 1859 is ontvreemd. Een ander dieptepunt is natuurlijk de Joodse roofkunst, waarover wij eerder een artikel schreven. Een oud probleem, doch  een actueel onderwerp. De kritiek op het bezit van roofkunst zwelt aan. In dit blog gaan wij in op het advies van de Raad van Cultuur getiteld “Koloniale Collecties en Erkenning van Onrecht”, waarin het probleem wordt belicht en oplossingen worden aangedragen.

De actualiteit

Het 138 pagina’s tellende advies van 7 oktober 2020 is op aanvraag van minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen opgesteld. Want hoewel de roofstukken vaak in musea te vinden zijn, is de Staat in het merendeel van de gevallen eigenaar. Zo ook van bijvoorbeeld serviesstukken die koningin Juliana in de jaren ’70 aankocht, maar waarvan in 2015 bleek dat de Joodse eigenaar deze gedwongen had verkocht. In januari 2020 besliste de commissie Restitutieverzoeken Cultuurgoederen en Tweede Wereldoorlog dat deze serviesstukken terug moesten naar de erven van de Joodse eigenaar, hetgeen breed werd uitgedragen in de media. Dat afgelopen september Franse activisten een Congolees grafbeeld uit het Afrika Museum ontvreemden kon men vinden in de Volkskrant, op nu.nl en bij het jeugdjournaal. Hoewel het beeld weer in de vitrine van het museum staat, stond het onderwerp roofkunst plots weer op de maatschappelijke en politieke agenda. Zo ook het advies van de Commissie.

Definitie roofkunst

Wanneer er sprake is van onvrijwillig bezitsverlies, kan volgens de Commissie worden gesproken over roofkunst. Van onvrijwillig verlies is niet alleen sprake indien de goederen worden gestolen, maar ook wanneer goederen onvrijwillig zijn afgestaan als een uiting van afgedwongen zijn loyaliteit, of bij een gedwongen verkoop.

Het advies

De Commissie ziet de teruggave van roofkunst als een vooral ethische kwestie, waarbij de Staat inspiratie op kan doen bij het internationale humanitaire recht en de ethische codes van internationale maatschappelijke organisaties. Daarin wordt een coulante omgang met verzoeken tot teruggave bepleit met als uitgangspunt dat wat gestolen is, in principe teruggegeven moet worden.

De commissie adviseert hetzelfde. Als basis van het beleid dient de erkenning van het aangedane onrecht en het uitspreken van de bereidheid om dit historisch onrecht waar mogelijk te herstellen door teruggave van de kunststukken. Van alle stukken waarvan met een redelijke mate van zekerheid kan worden aangetoond dat de herkomstlanden deze indertijd onvrijwillig zijn kwijtgeraakt moet worden gestreefd naar onvoorwaardelijke teruggave. Dat betekent dat andere belangen en aspecten (belangen van het museum, van de eigenaar, maar ook de mogelijkheid van het herkomstland om het kunststuk te onderhouden) niet mogen meespelen. Als niet kan worden aangetoond dat sprake is van onvrijwillig bezitsverlies mogen deze belangen wel meespelen. Wel dient de Staat dan in het bijzonder rekening te houden met eventuele bijzondere culturele, historische of religieuze belangen van het herkomstland.

Belang van dit advies

Dit advies is voor de praktijk van belangrijk omdat eventuele rechtszaken van herkomstlanden waarin teruggave wordt geëist een lage kans van slagen hebben. Zo  voorziet de Commissie dat herkomstlanden heel moeilijk kunnen achterhalen welk recht op het moment van bezitsverlies van toepassing was. Dat is van belang omdat naar dat recht moet worden vastgesteld of aan de eisen van rechtmatig bezitsoverdracht is voldaan. Daarnaast beschermt het huidige Nederlands recht niet zozeer de oorspronkelijke eigenaar, maar de huidige bezitter door rechtsuitgangspunten als verwerving te goeder trouw en verjaring. Het internationale recht, dat sinds 1815 sporadisch de teruggave van roofkunst regelt, ziet vaak ofwel op bepaalde conflicten in bepaalde herkomstlanden, of heeft geen duidelijk toetsingskader of heeft geen terugwerkende kracht. Zowel het nationale recht van het herkomstland, het Nederlandse recht en het internationale recht werken daarmee niet in het voordeel van de herkomstlanden.

Conclusie

Op dit moment zijn er juridisch weinig mogelijkheden voor herkomstlanden om teruggave van roofkunst te eisen. De Commissie gaat dan ook in op de morele verplichting van de Staat en niet zozeer de juridische verplichting. Een beleid gericht op de erkenning van het onrecht dat de herkomstlanden is aangedaan en onvoorwaardelijke teruggave van roofkunst zou invulling geven aan de morele verplichting.

Toch heerst er bij musea geen angst voor lege vitrinekasten. De Commissie is daar ook niet bang voor. Uit de contacten die zij met de huidige bestuurders van voormalig koloniën hebben gehad blijkt niet dat er een wens is om honderdduizenden kunststukken terug te eisen. Alle kunststukken teruggeven hoeft volgens de Commissie ook niet het einddoel te zijn. Voor erkenning kan al voldoende zijn dat de ontvreemde kunststukken worden bestempeld als roofkunst.

Dit blog is geschreven door Mariska Kamsteeg. Heeft u vragen over de betekenis van dit rapport voor uw collectie? Schroom dan niet om contact met ons op te nemen. Uw contactpersonen op het gebied van kunstrecht zijn Edgar Mulders en Mariska Kamsteeg. U kunt hen dagelijks bereiken op telefoonnummer 073 – 690 08 88, of stuur hen een e-mail naar info@jba.nl.

 

Beeld: Kunst uit Indonesië in het Tropenmuseum, bron: nos.nl

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *