Eenzijdige verkeersongevallen zijn helaas aan de orde van de dag. Een deel van deze eenzijdige ongevallen betreffen valpartijen van fietsers of voetgangers vanwege de toestand van de stoep, het fietspad of wegdek. Het vervelende van deze valpartijen is dat er vaak geen directe getuigen zijn. In die gevallen is de voornaamste strategie van de gemeente als wegbeheerder om de toedracht in twijfel te trekken. Het is immers aan het slachtoffer om de toedracht voldoende aannemelijk te maken, aangezien deze op grond van artikel 150 Rv de bewijslast draagt. Dat is lastig wanneer je ten tijde van de val helemaal alleen was of een getuige niet heeft gezien waardoor je precies ten val bent gekomen. Een dergelijke situatie deed zich voor in een kwestie waarin het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 29 september jl. uitspraak heeft gedaan. U kunt de uitspraak hier nalezen.

De kwestie

Appellante is een mevrouw die op 30 mei 2016 met haar elektrische fiets ten val is gekomen op een fietspad in de gemeente Eemnes dat ten tijde van de val was betegeld met 30 x 30 cm betontegels. In een bocht in het fietspad lagen de tegels niet meer goed tegen elkaar aan, waardoor er een groef van 3 cm breed en hoogteverschil van 1,5 cm is ontstaan. Appellante is hierin met haar wiel terecht gekomen en gevallen. Zij heeft de gemeente op grond van artikel 6:174 BW (gebrekkige opstal) en 6:162 BW (gevaarzetting) aansprakelijk gesteld voor de schade die door deze val is ontstaan. Omdat de aansprakelijkheid niet door de gemeente is erkend, heeft appellante zich genoodzaakt gezien om de kwestie aan de rechter voor te leggen. In eerste aanleg heeft de rechtbank Midden-Nederland de vorderingen van appellante afgewezen, tegen welk oordeel zij hoger beroep heeft ingesteld.

Hoger beroep

In hoger beroep oordeelt het hof dat de gemeente Eemnes wel degelijk aansprakelijk is voor de val van appellante. Zij overweegt daartoe het volgende.

Tussen partijen staat niet ter discussie dat er sprake was van een groef en hoogteverschil in de bocht waar appellante ten val is gekomen. De gemeente stelt echter dat de groef was opgevuld met steentjes en aarde. Uit de foto’s die appellante in de procedure heeft overgelegd kan weliswaar worden opgemaakt dat er inderdaad steentjes aanwezig zijn, maar niet dat de groef daarmee volledig is opgevuld en de stevigheid biedt zoals van een stoeptegel mag worden verwacht. Er kan daarnaast nog steeds gemakkelijk een fietsband in blijven hangen. De gemeente verweert zich nog door te stellen dat aan de hand van de foto’s van appellante voornamelijk het hoogteverschil lastig kan worden vastgesteld. Het is echter de gemeente geweest die kort na de aansprakelijkstelling van cliënte, namelijk in juni/juli 2016, in de bocht nieuwe betonklinkers heeft neergelegd, maar voorafgaande aan deze verandering geen metingen heeft verricht om het hoogteverschil vast te stellen. Dat dit nu niet meer mogelijk is doordat het fietspad is aangepast, is een omstandigheid die volgens het hof (deels) voor rekening van de gemeente dient te komen. Het hof gaat derhalve uit van een groef van 3 cm breed en een hoogteverschil van 1,5 cm, zoals appellante stelt.

Ook is het hof, in tegenstelling tot de gemeente, van mening dat de kans op ongevallen groot is gezien de staat van het fietspad. Op grond van de CROW-richtlijnen, die voor wegbeheerders handvatten bieden bij het plegen van onderhoud, kan een groef van 3 cm breed en 1,5 cm hoog namelijk als ernstig worden gekwalificeerd. Die omstandigheden tezamen met het feit dat het een druk bereden fietspad betreft, maakt dat er sprake is van een gebrekkige situatie met een grote kans op ongevallen tot gevolg. Dat er geen eerdere ongevallen bij de gemeente bekend zijn, doet daar volgens het hof niets aan af.

Ten slotte komt de toedracht van het ongeval aan bod. Hoewel appellante heeft verklaard dat zij met haar wiel in de groef is geraakt en ten val is gekomen en zij een verklaring heeft overgelegd van een getuige die haar direct na het ongeval naast de groef heeft aangetroffen, betwist de gemeente deze toedracht. Volgens de gemeente kan ook een stuurfout de oorzaak zijn geweest van de val en zij herhaalt de stelling dat de groef was opgevuld met steentjes. Hoewel de bewijslast van de toedracht op appellante rust, is het hof van mening dat appellante in dit geval een beroep kan doen op de omkeringsregel. Het hof oordeelt namelijk dat de gemeente in deze kwestie een norm heeft geschonden die het risico op ongevallen zo klein mogelijk dient te houden en gaat er dan ook van uit dat de schade van appellante in een rechtstreeks causaal verband staat met de normschending door de gemeente.

Alles in ogenschouw genomen vernietigt het hof het vonnis van rechtbank Midden-Nederland en verklaart voor recht dat de gemeente Eemnes aansprakelijk is voor de schade van appellante.

Contact

Dit blog is geschreven door Paulien Gossens. Heeft u een vraag over dit onderwerp of bent u benieuwd wat wij voor u kunnen betekenen, bel dan met 073-6900888, stuur een facebookbericht, of stuur een e-mail naar info@jba.nl.

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *