Vader niet aansprakelijk voor ernstig ongeval dochter (5), UVM moet volledige schade vergoeden 

Op 29 september 2021 heeft de Rechtbank Den Haag zich uitgelaten over de vraag of een zeer ernstig verkeersongeval dat een vijfjarig meisje overkwam mede is veroorzaakt door onzorgvuldig handelen van de vader. De uitspraak is op 24 januari 2022 gepubliceerd en kunt u hier teruglezen.

Feiten

Op 14 juli 2014 liep een destijds vijfjarig meisje zeer ernstig hersenletsel en lichamelijk letsel op als gevolg van een aanrijding. Het meisje had de dag doorgebracht bij haar oom en tante toen zij ’s avonds laat rond 22:45 uur werd opgehaald door haar ouders. De vader van het meisje parkeerde zijn auto aan de linkerzijde van de weg in een parkeervak, terwijl de moeder het meisje en haar twee andere kinderen ging ophalen.

Toen het vijfjarige meisje aan de hand van haar oom de weg overstak, heeft de vader van het meisje het rechterachterportier van de auto (aan de straatzijde) geopend, zodat het meisje daar in kon stappen. Dit portier stak iets buiten de belijning van de instapstrook uit op de weg. Nadat het meisje door haar oom achter het openstaande portier (ter hoogte van het gesloten rechtervoorportier) was gezet, is het meisje op enig moment uit eigen beweging vanachter het openstaande portier de rijbaan opgelopen, ondanks het feit dat haar vader had gezegd dat zij daar moest blijven staan. Op datzelfde moment kwam een automobilist in zijn auto aangereden en is het vijfjarige meisje geschept. Daarbij heeft zij ernstig letsel opgelopen.

UVM is de WAM-verzekeraar van de automobilist. De vader van het meisje is voor de gevolgen van wettelijke aansprakelijkheid verzekerd bij ASR op een AVP-polis. UVM heeft de volledige aansprakelijkheid voor het ongeval erkend, maar is van mening dat er sprake is van hoofdelijke aansprakelijkheid van UVM en ASR en dat ASR in de onderlinge verhouding jegens UVM 100 % van de schade dient te dragen. Volgens UVM heeft de vader onrechtmatig gehandeld jegens het vijfjarige meisje, nu de vader volgens UVM geen voorzorgsmaatregelen heeft getroffen om een aanrijding te voorkomen en zodoende heeft gehandeld in strijd met de op hem rustende zorgplicht voor de veiligheid van zijn dochter.

Juridisch kader                     

De zaak betreft een regreszaak waarin verzekeraars van mening verschillen over de vraag of de particuliere aansprakelijkheidsverzekeraar van de vader (ASR) dient bij te dragen aan de schade die namens UVM aan het vijfjarige meisje wordt uitgekeerd. Voor hoofdelijk aansprakelijke partijen volgt uit artikel 6:10 BW en artikel 6:102 BW dat zij het deel van de door een medeaansprakelijke partij veroorzaakte en aan de benadeelde vergoede schade op die ander kunnen verhalen. De vaststelling, welk aandeel de medeaansprakelijke partijen in hun interne verhouding in de schade hebben te dragen, geschiedt op basis van dezelfde regel als het vaststellen van het percentage eigen schuld van de benadeelde: gekeken dient te worden naar de mate waarin ieder van de partijen aan het ontstaan van de schade heeft bijgedragen.

De aansprakelijkheid van UVM staat niet ter discussie. UVM is op grond van artikel 185 Wegenverkeerswet 1994 verplicht om de volledige schade van het vijfjarige meisje te vergoeden, nu de verzekerde van UVM terwijl hij met zijn auto op de weg reed schade heeft toegebracht aan een kind dat de leeftijd van 14 jaar nog niet bereikt had.

UVM betwist niet aansprakelijk te zijn voor het ongeval, maar meent dat de vader van het meisje een zodanig verwijt treft aan het ontstaan van het ongeval, dat hem onrechtmatig handelen jegens zijn eigen dochter in de zin van artikel 6:162 BW kan worden verweten.

De rechtbank neemt tot uitgangspunt dat bij de beoordeling van de aansprakelijkheid van ouders jegens hun kind een verhoogde aansprakelijkheidsdrempel geldt. Dit houdt in dat de vraag of een ouder onrechtmatig jegens een kind heeft gehandeld, op grond van de bijzondere relatie tussen een ouder en zijn kind, minder snel bevestigend moet worden beantwoord.

De rechtbank legt de verhoogde aansprakelijkheidsdrempel bij de beoordeling van de aansprakelijkheid van ouders jegens hun kind uit in het licht van artikel 1:247 lid 1 BW. Voorgenoemd artikel bepaalt dat het ouderlijk gezag de plicht en het recht van de ouder omvat om zijn minderjarig kind te verzorgen en op te voeden. Ingevolge lid 2 van artikel 1:247 BW omvat verzorging en opvoeding onder meer de zorg en de verantwoordelijkheid voor de veiligheid van het kind. Een ouder heeft de plicht het kind te behoeden voor gevaar, maar moet tegelijkertijd ook de ontwikkeling van de persoonlijkheid van het kind bevorderen. Hierbij past volgens de rechtbank dat een ouder het kind de nodige vrijheid en zelfstandigheid gunt, zodat het kind zich kan ontwikkelen. Daarbij zal het kind onvermijdelijk aan risico’s worden blootgesteld. Het is in de eerste plaats aan de ouder om, aan de hand van zijn visie op de opvoeding en het karakter en de leeftijd van het kind, te bepalen welke risico’s wel en welke niet aanvaardbaar zijn. De rechter heeft deze beoordelingsvrijheid van de ouder in beginsel te respecteren. Dit betekent echter niet dat de keuze van een ouder niet onrechtmatig kan zijn tegenover het kind. De vraag of een goed ouder een bepaalde keuze kon maken moet worden beantwoord aan de hand van de voor een ouder in de gegeven omstandigheden geldende zorgvuldigheidsnorm. De vraag is daarbij niet onverkort of een “goed ouder” (als maatman) heeft kunnen handelen zoals is gebeurd. Evenmin zijn de algemene gezichtspunten voor gevaarzetting zonder meer bepalend. Er moet ruimte worden gelaten voor een persoonlijke ouderlijke afweging. In deze zin is de drempel voor aansprakelijkheid verhoogd, redeneert de rechtbank.

UVM is van mening dat de verhoogde aansprakelijkheidsdrempel voor ouders in deze specifieke situatie niet van toepassing is. Volgens UVM is er in verkeerssituaties geen ruimte voor een persoonlijke ouderlijke afweging, omdat er sprake is van verkeersregels en veiligheidsnormen die gelden voor alle ouders, ongeacht hun visie op de opvoeding.

UVM verwijt de vader dat hij niet heeft ingegrepen op het moment dat zijn dochter door haar oom achter het openstaande autoportier werd neergezet. UVM meent dat de vader zich in deze situatie pro-actiever had moeten opstellen, temeer omdat hij bewuste keuzes heeft gemaakt waardoor hij zijn dochter aan een groter gevaar heeft blootgesteld dan waaraan zij gelet op de omstandigheden blootgesteld had mogen worden. UVM wijst op het feit dat de vader het autoportier aan de straatkant had geopend, het donker was, de auto stond geparkeerd aan een drukke, doorgaande vijftigkilometerweg waar doorgaans (te) snel wordt gereden en de auto van de automobilist naderde. Daar komt volgens UVM bij dat kinderen van vijf jaar impulsief kunnen handelen en minder snel naar instructies zullen luisteren, terwijl het in deze situatie juist voorzienbaar was dat het vijfjarige meisje op enig moment om het openstaande autoportier heen zou lopen om te kunnen instappen. Volgens UVM heeft de vader door niet in te grijpen zijn dochter aan een onaanvaardbaar risico blootgesteld, dat zich vervolgens heeft verwezenlijkt.

De rechtbank volgt UVM niet in haar redenering. Voor de rechtbank is van belang dat de vader toezicht hield op zijn dochter, terwijl de oom begeleidde bij het oversteken van de weg en vervolgens bij het instappen in de auto. De rechtbank is van mening dat het houden van ouderlijk toezicht bij uitstek onderdeel uitmaakt van de opvoeding. Het veilig oversteken en het veilig in- en uitstappen van een auto zijn veel voorkomende en gebruikelijke activiteiten die in het kader van de opvoeding van een kind moeten worden aangeleerd en waarbij een ouder – uiteraard binnen de grenzen van de geldende verkeersregels en veiligheidsnormen – een zekere mate van beoordelingsvrijheid toekomt.

Volgens de rechtbank mocht de vader er voorts terecht van uitgaan dat ook de oom – een hem bekende en vertrouwde volwassene die zijn dochter goed kende – de voorzichtigheid zou betrachten waar een situatie als deze om vraagt. De rechtbank constateert voorts dat de situatie ter plaatse niet inherent onveilig was, onder andere door de aanwezigheid van een instapstrook. Het betoog van UVM dat de vader zijn dochter onvoldoende zou hebben geïnstrueerd, volgt de rechtbank evenmin, omdat van een kind van vijf (bijna zes) verwacht mag worden dat zij eenvoudige instructies als “blijven staan” of “wacht daar” begrijpt en opvolgt. De zorgplicht van een ouder ten opzichte van een kind van vijf gaat naar het oordeel van de rechtbank niet zover dat, ervan uitgaande dat voldoende toezicht wordt gehouden en de benodigde instructies worden gegeven, hij zijn kind niet met een bepaalde zelfstandigheid langs de weg mag laten staan.

Al met al acht de rechtbank het handelen van de vader niet zodanig onzorgvuldig dat dit als onrechtmatig ten opzichte van het vijfjarige meisje kan worden aangemerkt. Derhalve is de vader (en daarmee ASR) niet (mede) aansprakelijk voor de schade van zijn dochter als gevolg van het ongeval en dient UVM de volledige schade te vergoeden.

Conclusie

Voor hoofdelijk aansprakelijke partijen geldt dat zij het deel van de door een medeaansprakelijke partij veroorzaakte en aan de benadeelde vergoede schade op die ander kunnen verhalen. Daarbij dient gekeken te worden naar welk aandeel de medeaansprakelijke partijen in hun interne verhouding in de schade hebben te dragen. De rechtbank oordeelt in dezen echter dat er geen ruimte is voor hoofdelijke aansprakelijkheid en UVM de volledige schade van het slachtoffer dient te vergoeden.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.