Schadevergoeding na vrijspraak in een strafzaak

De rechtbank Den Haag heeft zich op 19 juni 2024 uitgelaten over de vraag of een persoon die in een strafrechtelijke procedure is vrijgesproken alsnog voor hetzelfde feit civielrechtelijk aansprakelijk kan zijn jegens het slachtoffer. De uitspraak kunt u hier teruglezen.

Wat ging er vooraf aan deze civiele procedure?

Op 6 mei 2020 wordt een man in de deuropening van zijn woning neergeschoten. Hierbij werd hij in zijn kaak geraakt en heeft hij een operatie moeten ondergaan om zijn verbrijzelde kaak te herstellen. Daarnaast heeft hij psychische klachten overgehouden aan de schietpartij, namelijk PTSS en een depressie. Ook zijn vriendin, die hem aantrof met de schotverwonding, heeft sindsdien last van psychische klachten.

In eerste aanleg is de ex-vriend van de vriendin van het slachtoffer veroordeeld voor de schietpartij. De rechtbank baseerde deze veroordeling op – onder meer – de volgende gronden. De ex-vriend was kort voorafgaand aan de schietpartij achter de affaire tussen het slachtoffer en zijn vriendin gekomen. Bovendien is gebleken dat de ex-vriend in de directe omgeving was ten tijde van de schietpartij en dat hij op dat moment een vuurwapen in bezit had. Ook is gebleken dat hij zijn rechterhand had gebroken en daarom was aangewezen op zijn linkerhand, terwijl vast staat dat de schutter met links schoot. Tot slot heeft hij vage verklaringen afgelegd. Het slachtoffer en zijn vriendin hadden in eerste aanleg als benadeelde partij vorderingen ingesteld ter hoogte van ruim € 70.000,00. De rechtbank heeft die vorderingen toegewezen tot een bedrag van ruim € 20.000,00.

De ex-vriend heeft hoger beroep ingesteld en werd door het hof vrijgesproken, omdat onvoldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig was dat hij de schutter zou zijn geweest. Het hof nam daartoe in overweging dat het door getuigen opgegeven signalement niet zonder meer overeenkomt met dat van de ex-vriend, dat de aangetroffen hulzen geen sporen van hem bevatten en dat ook het slachtoffer wisselend en innerlijk tegenstrijdig heeft verklaard. Tot slot overwoog het hof dat het slachtoffer zich in het crimineel milieu begeeft en de schietpartij ook daaruit zou kunnen zijn ontstaan. De vorderingen tot schadevergoeding van het slachtoffer en zijn vriendin werden dus niet-ontvankelijk verklaard.

Dwingend bewijs

Het slachtoffer en zijn vriendin wenden zich vervolgens tot de burgerlijke rechter. Zij vorderen een verklaring voor recht dat de ex-vriend onrechtmatig heeft gehandeld en aansprakelijk is voor de schade alsmede een veroordeling tot betaling van de schadevergoeding die de strafrechter in eerste aanleg had toegewezen. Zij stellen hiertoe dat de ex-vriend op grond van artikel 6:162 BW een toerekenbare onrechtmatige daad jegens hen heeft gepleegd door het slachtoffer neer te schieten.

De ex-vriend voert verweer. Hij voert daartoe aan dat het slachtoffer mogelijk door iemand uit het criminele milieu is beschoten, het signalement van de getuigen niet overeenkomt, er geen forensisch bewijs is gevonden en het hof absoluut overtuigd moet zijn geweest van zijn onschuld.

De rechtbank overweegt dat strafrechtelijke vrijspraak niet in de weg hoeft te staan aan het aannemen van civielrechtelijke aansprakelijkheid. In een civiele procedure kan op grond van artikel 152 Rv bewijs worden geleverd door alle middelen en is de rechter vrij in de waardering van het bewijs, tenzij de wet anders bepaalt. Artikel 162 is een voorbeeld van een dergelijke uitzondering, namelijk ingeval er een geldend vonnis is gewezen waarin de strafrechter bewezen heeft verklaard dat iemand een bepaald feit heeft begaan. Dat levert voor de civiele rechter dwingend bewijs op. Deze bepaling ziet echter enkel op een veroordeling en niet op vrijspraak, zodat aan vrijspraak in een civiele procedure geen dwingende bewijslast toekomt.

Aansprakelijk ondanks vrijspraak

De rechtbank is van oordeel dat met een redelijke mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat de ex-vriend het slachtoffer heeft beschoten. Zij komt tot dit oordeel op basis van de verschillende feiten en omstandigheden die voortvloeien uit het strafdossier. Dit sluit dus aan bij het oordeel van de rechtbank in eerste aanleg.

De rechtbank gaat voorbij aan de verweren van de ex-vriend. De rechtbank overweegt dat hij onvoldoende heeft aangevoerd waaruit zou blijken dat er sprake moet zijn geweest van een alternatief scenario met een andere schutter uit het crimineel milieu. Daarnaast overweegt de rechtbank dat getuigenverklaringen in zijn algemeenheid onbetrouwbaar kunnen zijn. Bovendien geldt in dit geval dat de getuigen allen niet sterk overtuigd waren van wat zij hadden gezien. Dit alles sluit daarom niet uit dat het signalement kan passen bij de ex-vriend. Daarnaast acht de rechtbank het mogelijk dat de verdachte maatregelen heeft getroffen om te voorkomen dat hij sporen zou achterlaten. Het ontbreken van die sporen sluit zijn betrokkenheid daarom niet uit. Tot slot geldt dat de civiele een eigen afweging maakt op basis van een ander bewijscriterium, zodat haar oordeel kan afwijken van het oordeel van het hof.

De rechtbank acht de ex-vriend aansprakelijk en veroordeeld hem tot betaling van de schadevergoeding van ruim € 20.000,00 aan het slachtoffer en zijn vriendin.

Conclusie

De civiele rechter maakt een eigen afweging op basis van een ander bewijscriterium. Het is daarom mogelijk dat haar oordeel op basis van dezelfde feiten anders luidt dan het oordeel van de strafrechter. Uit deze zaak blijkt dan ook maar weer dat vrijspraak in een strafrechtelijke procedure niet in de weg hoeft te staan aan een civielrechtelijke schadevergoeding.

Heeft u vragen over de schadevergoeding na een strafbaar feit?

Aarzel dan niet om contact met ons op te nemen. Dit kan via het telefoonnummer boven in beeld of door een e-mailbericht te sturen naar info@jba.nl.

 

 

 

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *