Op 1 december 2020 oordeelde de Rechtbank Gelderland over de vraag of de benadeelde naast de uitkering door het Waarborgfonds Motorvoertuigen ook nog de WAM-verzekeraar kan aanspreken? U kunt hier de uitspraak teruglezen.

Wat is er gebeurd?

De verzoeker in deze zaak raakte in mei 2007 als fietser betrokken bij een verkeersongeval. Bij dit ongeval waren tevens een witte bestelbus en een auto betrokken. De bestuurder van de witte bestelbus gaf aan de fietser ten onrechte geen voorrang, waardoor de fietser moest uitwijken en op de weghelft kwam waar de auto reed. De fietser en de automobilist zijn toen met elkaar in botsing gekomen. De fietser raakte buiten bewustzijn en is per ambulance naar het ziekenhuis vervoerd.

De bestuurder van de witte bestelbus is na het ongeval doorgereden, waardoor zijn identiteit onbekend is gebleven. De fietser heeft ASR, de WAM-verzekeraar van de automobilist waarmee hij in botsing kwam, aansprakelijk gesteld. ASR heeft de aansprakelijkheid afgewezen en aangevoerd dat de bestuurder van de witte bestelbus de veroorzaker is van het ongeval en daarom aansprakelijk kan worden gehouden.

De fietser heeft vervolgens zijn vordering ingediend bij het Waarborgfonds Motorvoertuigen. Het Waarborgfonds heeft de aansprakelijkheid erkend en in totaal aan de fietser een schadevergoeding van € 200.000,00 betaald. De fietser en het Waarborgfonds hebben elkaar geen finale kwijting verleend. Vervolgens heeft de fietser zich nogmaals tot ASR gewend met als doel het krijgen van een schadevergoeding.

Grondslag aansprakelijkheid ASR

De fietser voert aan dat ASR op grond van artikel 185 Wegenverkeerswet aansprakelijk is voor het ongeval, aangezien er zowel een gemotoriseerde als een ongemotoriseerde bij het ongeval betrokken zijn. Volgens de fietser is overmacht niet aan de orde. De fietser meent dat de automobilist er rekening mee had moeten houden dat hij een verkeersonveilige situatie naderde. De fietser voert verder aan dat de automobilist daarom meer afstand had moeten nemen tot de witte bestelbus en zijn snelheid had moeten verminderen. Nu de automobilist dit heeft nagelaten, kan hij zich volgens de fietser niet op overmacht beroepen. De fietser vordert daarom een verklaring voor recht dat er geen sprake is van overmacht aan de zijde van de automobilist.

Verder merkt de fietser op dat de betalingen door het Waarborgfonds niet afdoen aan de aansprakelijkheid van ASR. Volgens de fietser is ASR hoofdelijk verbonden tot vergoeding van dezelfde schade.

ASR heeft tegen de stellingen van de fietser verweer gevoerd. De rechtbank komt uiteindelijk echter niet toe aan de beoordeling van de vraag of er sprake is van overmacht aan de zijde van de automobilist. ASR heeft namelijk betoogd dat het verzoek zich niet leent voor behandeling in deelgeschil.

Wat oordeelde de rechtbank?

In artikel 1019z Rv is bepaald dat de rechtbank een verzoek afwijst voor zover de verzochte beslissing onvoldoende kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. ASR heeft betoogd dat het verzoek zich niet leent voor behandeling in deelgeschil omdat er geen vaststellingsovereenkomst tot stand zal komen tussen de fietser en ASR. Volgens ASR heeft het Waarborgfonds opgetreden als regelend verzekeraar in de zin van artikel 25 lid 4 WAM. Als zou blijken dat een ander geheel of gedeeltelijk tot vergoeding van schade gehouden is, kan het Waarborgfonds tot verrekening overgaan, aldus ASR.

De rechtbank overweegt hierover als volgt. In artikel 25 lid 4 van de WAM is bepaald dat indien het Waarborgfonds en een verzekeraar het niet eens zijn over de vraag wie van hen de schade moet vergoeden, degene die als eerste werd aangesproken, tot vergoeding van de schade dient over te gaan. Indien mocht blijken dat de ander geheel of gedeeltelijk tot vergoeding van de schade gehouden is, zal deze tot verrekening overgaan. Volgens de rechtbank dient het Waarborgfonds als regelend verzekeraar in de zin van artikel 25 lid 4 WAM aangemerkt te worden. De rechter meent dat dit recht doet aan het doel van artikel 25 lid 4 WAM.

Hierdoor hoeft de fietser voor zijn totale schade niet in discussie te treden met iedere afzonderlijke betrokkene bij het ongeval, maar is er een regelend verzekeraar met wie hij zijn totale schade kan regelen. Het Waarborgfonds heeft een bedrag van € 200.000,00 aan de fietser voldaan.

De fietser heeft aangevoerd dat er nog een aanzienlijk bedrag resteert waarvoor ASR op grond van artikel 185 WVW aansprakelijk is. Volgens de fietser zijn ASR en het Waarborgfonds op grond van het bepaalde in artikel 6:102 BW hoofdelijk verbonden tot vergoeding van dezelfde schade. Omdat met het Waarborgfonds geen finale kwijting is overeengekomen, meent de fietser gerechtigd te zijn de resterende schade van ASR te vorderen.

De rechtbank volgt de fietser hierin niet. Uitgaande van de juistheid van de stelling dat het Waarborgfonds en ASR op grond van artikel 6:102 BW hoofdelijk verbonden zijn tot vergoeding van dezelfde schade, brengt dat mee dat de fietser zijn beide schuldenaren kan aanspreken tot vergoeding van zijn gehele schade. Betaling door de ene schuldenaar, bevrijdt de andere hoofdelijke schuldenaar. Daarom is ASR tot een bedrag van € 200.000,00 bevrijd door de betaling van dit bedrag door het Waarborgfonds, aldus de rechtbank.

Het standpunt van de fietser dat hij, naast het door het Waarborgfonds betaalde schadebedrag van € 200.000,00, nog recht heeft op een aanzienlijk schadebedrag van ASR, gaat dan ook uit van de onjuiste veronderstelling dat het schadebedrag ten aanzien van ASR hoger ligt dan dat van het Waarborgfonds. Dat is bij hoofdelijke aansprakelijkheid op grond van artikel 6:102 BW niet het geval, want de hoofdelijke schuldenaren zijn immers verbonden dezelfde schade te vergoeden.

Nu de fietser de vaststellingsovereenkomst met het Waarborgfonds niet heeft overgelegd als productie, gaat de rechter er in de procedure vanuit dat met de vaststellingsovereenkomst de totale schade van de fietser is geregeld. Als mocht blijken dat de fietser met het Waarborgfonds niet al zijn schade heeft geregeld, overweegt de rechtbank het volgende. Het Waarborgfonds heeft als regelend verzekeraar opgetreden. De fietser zal zich daarom tot het Waarborgfonds moeten wenden. ASR is dan ook niet gehouden met de fietser in onderhandeling te treden over diens schade.

Dat betekent dat een beslissing op het verzoek in het onderhavige deelgeschil niet zal bijdragen aan het tot stand komen van een vaststellingsovereenkomst. Het verzoek van de fietser wordt daarom door de rechtbank op grond van het bepaalde in artikel 1019z Rv afgewezen.

Conclusie

 Als het Waarborgfonds heeft opgetreden als regelend verzekeraar, kan in beginsel niet alsnog de andere betrokken verzekeraar worden aangesproken voor dezelfde schade. Dat er aan het Waarborgfonds geen finale kwijting is verleend, maakt dit niet anders.

Heeft u vragen over dit onderwerp?
Dit blog is geschreven door Femke Uijen. Heeft u een vraag over dit onderwerp of bent u benieuwd wat wij voor u kunnen betekenen, bel dan met 073-6900888, stuur een Facebookbericht, of stuur een e-mail naar info@jba.nl.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *