Ieder jaar hebben we helaas te maken met een hoop schade door vuurwerk. Tijdens de jaarwisseling van 2019-2020 waren de ziekenhuizen en huisartsenposten belast met bijna 1.300 vuurwerkslachtoffers. Omdat de druk op de zorg en de handhaving op straat door het coronavirus enorm hoog is, heeft het kabinet besloten dat tijdens deze jaarwisseling geen vuurwerk verkocht en afgestoken mag worden.

In theorie gaan we dus een rustige jaarwisseling tegemoet. Maar wat als de werkelijkheid er toch wat anders uitziet en er alsnog schade door vuurwerk ontstaat? Is er in dat geval sprake van onrechtmatig handelen wegens een schending van de wettelijke plicht? Daar staan we in dit blog bij stil.

Wettelijke regeling

De verkoop en het afsteken van consumentenvuurwerk is verboden tijdens de jaarwisseling van 2020-2021. Het verbod geldt voor al het vuurwerk dat jaarlijks verkocht werd op de drie dagen voor oud en nieuw. Te denken valt aan fonteinen, grondmobielen en grondtollen. Fop- en schertsvuurwerk, zoals sterretjes en knalerwten, mag wel verkocht en afgestoken worden.

Het verbod is tijdelijk en geldt uitsluitend voor de jaarwisseling van 2020-2021. De regels zijn via de Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid aangepast en krijgen vorm in het Vuurwerkbesluit. Meer over het besluit van het kabinet leest u hier.

Houdt u zich niet aan regels, dan loopt u het risico op een boete en een aantekening in het justitieel documentatieregister (het strafblad). Veroorzaakt u schade met het vuurwerk, kunt u hiervoor ook aansprakelijk zijn.

Aansprakelijkheid door onrechtmatige daad

Op grond van artikel 6:162 BW dient iemand die een onrechtmatige daad heeft gepleegd, welke hem kan worden toegerekend, de schade die de ander daardoor lijdt, te vergoeden. Als onrechtmatige daad worden aangemerkt een inbreuk op een recht en een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht of met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt.

Nooit eerder was er sprake van een landelijk vuurwerkverbod. Als het verbod wordt geschonden, is er dus sprake van strijd met een wettelijke plicht. Degene die het verbod schendt handelt dus onrechtmatig. Ontstaat door deze onrechtmatige gedraging schade bij een derde, kan deze benadeelde degene die de schade heeft veroorzaakt aansprakelijk stellen.

Wanneer de aansprakelijkheid gebaseerd kan worden op ‘een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht’ is dat een stuk gemakkelijker dan wanneer de aansprakelijkheid gebaseerd moet worden op ‘een doen of nalaten in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt’. In de voorgaande jaren was de weg van de ‘maatschappelijke betamelijkheid’ de weg die bewandeld moest worden om tot aansprakelijkheid te kunnen komen. Een verbod tot het afsteken van consumentenvuurwerk was er immers niet. Eenvoudiger gezegd moest getoetst worden of de afsteker van het vuurwerk onzorgvuldig had gehandeld. En dat is natuurlijk logischerwijs erg casuïstisch en leidt zodoende veelal tot discussie. De bewijslast van de toedracht rust bovendien op de benadeelde, hetgeen ook vaak tot de nodige problematiek leidt.

Als vast komt te staan dat iemand onzorgvuldig heeft gehandeld met vuurwerk, ontstaat doorgaans geen discussie meer over de vraag of de geschonden norm ook strekte tot bescherming tegen de schade die de benadeelde heeft geleden. Strekt de geschonden niet tot bescherming tegen de schade zoals de benadeelde die heeft geleden, hoeft de schade ook niet vergoed te worden, ondanks de onrechtmatige gedraging. Dit wordt het vereiste van relativiteit genoemd. De benadeelde draagt overigens niet de bewijslast van dit vereiste. Wel moet de benadeelde rekening houden met een dergelijk verweer.

De vraag die nu rijst is of het schenden van het vuurwerkverbod strekt tot bescherming tegen de schade die de benadeelde heeft geleden. In het geval van letselschade kan die vraag naar onze mening bevestigend worden beantwoord. De tijdelijke wettelijke regeling is immers in het leven geroepen om letselschade te voorkomen om daarmee extra druk op de zorg te voorkomen. Of er ook wordt voldaan aan het vereiste van relativiteit is voor meer discussie vatbaar in het geval er uitsluitend sprake is van schade aan zaken, zoals een beschadigde auto. Het verbod ziet echter ook op een verlichting van de druk op de handhavers op straat, hetgeen een argument kan zijn om toch relativiteit aan te nemen. Maar zoals gezegd draagt de aansprakelijke partij de bewijslast van dit verweer en moet de aansprakelijk partij dus onderbouwen waarom er geen sprake is van relativiteit. U doet er dus verstandig aan om ook in het geval van schade aan zaken te stellen dat er sprake is van strijd met een wettelijke plicht.

Volledigheidshalve wordt nog opgemerkt dat naar onze mening ook de verkoper van het vuurwerk (naast de afsteker) aansprakelijk kan worden gehouden voor de schade die is ontstaan door het vuurwerk. Althans, voor zover de verkoper natuurlijk heeft gehandeld in strijd met het vuurwerkverbod.

Conclusie

Wij zijn erg benieuwd hoe de jaarwisseling zal verlopen. Laten we hopen dat er dit jaar geen vuurwerkslachtoffers zullen vallen. Mocht dat toch gebeuren, staat het team van Jeroen Bosch Advocaten u graag bij.

Wij wensen u een fijne jaarwisseling en een gezond 2021!

Heeft u vragen over dit onderwerp?

Dit blog is geschreven door Nicole Verpaalen. Heeft u een vraag over dit onderwerp of bent u benieuwd wat wij voor u kunnen betekenen, bel dan met 073-6900888, stuur een Facebookbericht, of stuur een e-mail naar info@jba.nl.

What do you want to do ?

New mai

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *