Garage verkoopt auto van klant zonder toestemming en moet schadevergoeding betalen  

De Rechtbank Gelderland heeft zich op 20 mei 2022 uitgelaten over de vraag of een autogarage terecht is overgegaan tot de verkoop van een auto die in 2009 bij haar was gestald en vervolgens voor een periode van 10 jaar dusdanig was afgetakeld dat deze uiteindelijk niets meer dan schroot was. U kunt de uitspraak hier teruglezen.

Feiten

Een eigenaar van een Volkswagen Golf VR6 Turbo uit 1994 heeft zijn auto op 23 juni 2009 ter reparatie en modificatie aangeboden bij een autogaragebedrijf. Het garagebedrijf is vervolgens begonnen met de inbouw van een nieuwe turbo en heeft diverse reparatiewerkzaamheden verricht.

In september 2010 heeft de eigenaar van de auto aan het garagebedrijf laten weten niet over voldoende financiële middelen te beschikken om de uitgevoerde werkzaamheden te kunnen betalen. Het garagebedrijf heeft haar werkzaamheden vervolgens gestaakt en de auto buiten op haar terrein gestald.

In augustus 2015 heeft de oorspronkelijke eigenaar van de auto zijn auto geschonken aan zijn zoon.

Vervolgens heeft de nieuwe eigenaar van de auto in juli 2020 bij het garagebedrijf om teruglevering van de auto verzocht. Het garagebedrijf heeft toen aangegeven dat de auto niet meer voorhanden was. Het garagebedrijf heeft tussen 2009 en 2019 meermaals contact gezocht met de oorspronkelijke eigenaar van de auto, maar die reageerde niet op diverse e-mailberichten en telefoontjes en gaf geen tekenen van leven. “Wij trokken zo onze conclusies. Daarna heeft de auto nog een kleine 3 jaar verder weg staan roesten, het was gewoon schroot geworden, de onderdelen vielen er aan alle kanten af, het was een schandvlek voor ons bedrijf. Toen de auto zo’n 23 jaar oud was hadden we er genoeg van en hebben de restanten door een oudijzer handelaar weg laten halen”, aldus het garagebedrijf.

Nadat het garagebedrijf de auto bijna tien jaar onder zich had, heeft het in 2019 besloten tot demontage van de auto. Het garagebedrijf heeft, met uitzondering van het motorblok en de turbo, alle onderdelen als schroot aan een oudijzerhandelaar meegegeven.

De nieuwe eigenaar van de auto heeft het garagebedrijf vervolgens aansprakelijk gesteld voor het verlies van de auto. Volgens hem heeft het garagebedrijf onzorgvuldig c.q. onrechtmatig gehandeld. De eigenaar vordert onder meer de veroordeling van het garagebedrijf tot betaling van een bedrag van € 13.500,00.

Oordeel rechtbank

Volgens de rechtbank kan het garagebedrijf zich met recht beroepen op artikel 6:90 BW. Dit artikel geeft de schuldenaar van een verbintenis tot aflevering van een zaak de bevoegdheid om deze zaak te verkopen, wanneer de zaak ‘aan snel tenietgaan of achteruitgaan onderhevig is of waarvan om een andere reden de verdere bewaring zo bezwaarlijk is dat zij in de gegeven omstandigheden niet van de schuldenaar kan worden gevergd’.

De rechtbank stelt voorop dat de auto vanaf 2010 op het buitenterrein van het garagebedrijf heeft stilgestaan. De rechtbank neemt zonder verder beeldmateriaal aan dat de auto heirdoor in staat erg achteruit is gegaan. Algemeen bekend immers is dat stilstand niet goed is voor een auto, zeker niet voor een auto met het bouwjaar als het onderhavige en waarover onweersproken is gesteld dat deze meer dan gebruikelijk vatbaar is voor corrosie, zo beredeneert de rechtbank. De rechtbank wijst verder op het feit dat de auto in 2006 voor het laatst een Apk-keuring heeft ondergaan en de stilstand bijna tien jaar heeft voortgeduurd. De rechtbank volgt het garagebedrijf derhalve in zijn standpunt dat de auto gedurende deze jaren is weggeroest en grotendeels tot schroot is verworden. Het voorgaande in combinatie met het enorme tijdsverloop, het feit dat de eigenaar van de auto jarenlang niets van zich heeft laten horen en de angst voor handhavend optreden in het kader van de milieuwetgeving, maakt volgens de rechtbank dat verdere bewaring niet langer van het garagebedrijf kon worden gevergd.

Het garagebedrijf mocht derhalve in beginsel overgaan tot verkoop van de auto. Deze bevoegdheid mag, zo blijkt uit de jurisprudentie, evenwel pas worden uitgeoefend na een deugdelijke sommatie met een daaraan verbonden redelijke termijn. Niet gebleken is dat een dergelijke sommatie door het garagebedrijf is verstuurd. Er zijn evenwel omstandigheden denkbaar waardoor een voorafgaande kennisgeving niet vereist is, bijvoorbeeld wanneer de wederpartij (langdurig) onbereikbaar is. Van een dergelijke situatie is in deze zaak sprake, zo beredeneert de rechtbank. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat het garagebedrijf terecht van zijn bevoegdheid tot verkoop heeft gebruikgemaakt en dus niet onrechtmatig heeft gehandeld.

Wél moet het garagebedrijf de verkoopopbrengst van de auto afdragen aan de eigenaar van de auto. Na de demontage heeft het garagebedrijf de turbo voor een bedrag van € 1.500,00 verkocht; voor het motorblok heeft het garagebedrijf nog geen koper gevonden. De rechtbank is van oordeel dat het garagebedrijf de zaak op een geschikte wijze heeft verkocht, gezien het feit dat de auto in slechte staat verkeerde en nauwelijks restwaarde had, zodat het strippen van de auto van haar meest waardevolle onderdelen met het doel deze te verkopen en de rest als schroot af te laten voeren onder ‘een geschikte wijze’ valt.

Volgens de eigenaar van de auto kan het niet zo zijn dat de turbo voor slechts € 1.500,00 is verkocht. Hij wijst op het feit dat de turbo in 2009 voor een bedrag van € 6.680,00 was aangekocht. Hiermee miskent de eigenaar van de auto volgens de rechtbank echter dat die prijs niet slechts betrekking op de turbo had, maar op de volledige kit.

De eigenaar van de auto heeft tot slot ook nog aangevoerd dat het garagebedrijf zich niet als een goed houder heeft gedragen door de auto jarenlang buiten te stallen. De rechtbank volgt dit betoog echter niet, omdat de eigenaar van de auto ervan op de hoogte was dat de auto buiten stond en zelf jarenlang niet heeft omgekeken naar de auto. Reeds om die reden kan hij volgens de rechtbank niet aan het garagebedrijf tegenwerpen dat het beter voor de auto had moeten zorgen.

Gelet op al het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat het garagebedrijf gehouden is om een bedrag van € 1.500,00 te betalen aan de laatste eigenaar van de auto. Daarbij wordt opgemerkt dat het motorblok dat nu nog op de zaak bij het garagebedrijf ligt, aan de laatste eigenaar van de auto terug moet worden gegeven aan de eigenaar.

Conclusie

De rechtbank oordeelt uiteindelijk dat het garagebedrijf een zachte schadevergoeding verschuldigd is aan de eigenaar van de auto, ondanks dat het garagebedrijf na bijna tien jaar terecht is overgaan tot de verkoop van de auto. De schadevergoeding ziet op de verkoopopbrengst van de turbo van de auto. Daarnaast dient het garagebedrijf het motorblok terug te geven aan de eigenaar van de auto. Voor het verlies van het restant van de auto krijgt de eigenaar van de auto geen vergoeding.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *