Veel particulieren en bedrijven maken voor het afsluiten van verzekeringen gebruik van een zogenaamde (assurantie)tussenpersoon. De tussenpersoon adviseert zijn klanten bij het kiezen van de juiste verzekering en sluit de verzekering ook namens de klant af. De tussenpersoon heeft een zorgplicht jegens zijn klanten. Privaatrechtelijk vloeit deze zorgplicht voort uit artikel 7:401 BW. De zorgplicht van de tussenpersoon staat vaak centraal in gerechtelijke procedures. Ook de rechtbank Noord-Nederland heeft zich op 11 oktober 2017 gebogen over de vraag of de tussenpersoon in kwestie aan zijn zorgplicht had voldaan. U kunt de uitspraak hier vinden.

Zorgplicht tussenpersoon
De zorgplicht die uit artikel 7:401 BW voortvloeit is algemeen omschreven: “de opdrachtnemer moet bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed opdrachtnemer in acht nemen”. In de rechtspraak is deze algemene norm nader geconcretiseerd voor tussenpersonen. Uit vaste jurisprudentie volgt dat een tussenpersoon tegenover zijn klant de zorg dient te betrachten die van een redelijk handelend en redelijk bekwaam vakgenoot mag worden verwacht. Het is de taak van de tussenpersoon om te waken voor de belangen van de klant.

Casus
In de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 11 oktober 2017 stonden een onderneming en haar tussenpersoon centraal. De onderneming, welke zich bezig houdt met het reinigen van mestsilo’s en onderhoud en reparaties aan mestopslagen, heeft een AVB (aansprakelijkheidsverzekering bedrijven) afgesloten bij ASR. In juli 2012 laat ASR aan de tussenpersoon van de onderneming weten dat de polis per 16 april 2013 zal worden beëindigd, vanwege het schadeverloop. Gedurende de looptijd van de polis heeft de onderneming meerdere malen een beroep op de verzekering gedaan.

Op 19 juni 2013 komen twee medewerkers van de onderneming tijdens de uitoefening van hun werkzaamheden om het leven. Eén van de medewerkers werkte via een uitzendbureau bij de onderneming. De aansprakelijkheidsverzekeraar van het uitzendbureau, Achmea, heeft de erven van deze werknemer schadeloos gesteld, maar wil deze schade op haar beurt weer verhalen op de onderneming. Op dat moment blijkt dat de onderneming ten tijde van het ongeval niet verzekerd was voor werkgeversaansprakelijkheid. De onderneming verwijt de tussenpersoon dat hij niet aan zijn zorgplicht heeft voldaan, nu hij de onderneming niet zou hebben laten weten dat de polis bij ASR zou worden beëindigd en er geen nieuwe AVB met dekking voor werkgeversaansprakelijkheid is afgesloten nadat de polis bij ASR is beëindigd. De onderneming roept de tussenpersoon in een vrijwaringsprocedure op.

De rechtbank komt tot het oordeel dat de tussenpersoon wel heeft voldaan aan zijn zorgplicht. Zo heeft de tussenpersoon zich in voldoende mate ingespannen om andere verzekeraars te benaderen en heeft de onderneming in de tussentijd op de hoogte gehouden van de stand van zaken. De zorgplicht van de tussenpersoon reikt niet zo ver dat hij de onderneming had moeten adviseren om de bedrijfsactiviteiten te staken. Dat het de tussenpersoon niet is gelukt om een nieuwe AVB-polis met dekking voor werkgeversaansprakelijkheid te regelen wil niet zeggen dat hij daarmee niet aan de zorgplicht heeft voldaan. Op de tussenpersoon rust een inspanningsverplichting en geen resultaatsverplichting. De rechtbank acht de tussenpersoon dan ook niet aansprakelijk jegens de onderneming.

Contact
Wilt u graag advies over dit onderwerp? Schroom dan vooral niet om contact met ons op te nemen. U kunt ons bereiken op telefoonnummer 073-6900888, of stuur ons een facebookbericht of een e-mail naar info@jba.nl.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *