Van een assurantietussenpersoon mag worden verwacht dat hij bij het afsluiten van een verzekering voor een collega dezelfde mate van zorgvuldigheid betracht als voor derden. Op zijn beurt mag van deze collega weer worden verwacht dat hij zijn eigen verantwoordelijkheid neemt, waaronder het kennisnemen en lezen van de aan hem toegestuurde stukken. Dat heeft de Rechtbank Gelderland geoordeeld op 6 september 2017. Klik hier voor de volledige uitspraak.

De rechtbank moest zich in dit geval buigen over de vraag of de assurantietussenpersoon zich in voldoende mate heeft ingespannen om zijn collega te behoeden voor financiële valkuilen bij het afsluiten van een woonlastenverzekering.

Wat was er aan de hand?

De gedupeerde was tussen 1999 en 2016 werkzaam op een assurantiekantoor in functie van administratief medewerker. In 2016 is hij gestopt met werken als gevolg van arbeidsongeschiktheid. Door een collega van de afdeling is hij in 2011 gewezen op een woonlastenverzekering. Aan de gedupeerde is door diens collega een e-mail gestuurd met daarin een offerte voor een woonlastenverzekering. Bij deze e-mail waren onder meer ook een toelichting, de polisvoorwaarden en een blanco aanvraagformulier gevoegd. Door de gedupeerde is het aanvraagformulier ingevuld en ondertekend. De woonlastenverzekering is vervolgens tot stand gekomen.

Omdat de gedupeerde in 2016 volledig arbeidsongeschikt raakte, werd hem vanaf die datum een uitkering uit hoofde van de woonlastenverzekering verstrekt. De uitkering bedroeg nog geen € 500,00 bruto. Na aftrek van belasting bleek de gedupeerde slechts
€ 295,00 netto over te houden. Dat is een te laag bedrag voor de gedupeerde om zijn woonlasten mee te kunnen voldoen, voor welk doel hij deze verzekering nu juist had afgesloten.

De gedupeerde vordert van het assurantiekantoor, diens voormalig werkgever, een schade van ruim € 47.000,00 euro. De gedupeerde houdt het assurantiekantoor aansprakelijk voor het verstrekken van onjuiste informatie bij het aangaan van de woonlastenverzekering. Volgens de gedupeerde ontvangt hij de uitkering daardoor bruto terwijl hij er bij het afsluiten van de verzekering vanuit ging dat de uitkering netto zou zijn. De gedupeerde beroept zich op schending door het assurantiekantoor van diens zorgplicht jegens hem.

Volgens de gedupeerde was er sprake van een overeenkomst van opdracht ex artikel 7:400 BW. Het assurantiekantoor is echter van mening dat géén sprake is van een opdrachtgever-opdrachtnemer verhouding, maar dat er sprake is van een vriendendienst. Volgens het assurantiekantoor blijkt dit ook uit het feit dat aan de gedupeerde geen kosten in rekening zijn gebracht bij het afsluiten van de woonlastenverzekering.

De rechtbank volgt deze stelling van het assurantiekantoor niet. De rechtbank is van oordeel dat een overeenkomst van opdracht enerzijds en een vriendendienst anderzijds elkaar niet hoeven uit te sluiten. Volgens de rechtbank staat vast dat het in dit geval ging om handelen in het kader van beroep en bedrijf.

De rechtbank komt tot het oordeel dat de gedupeerde mocht verwachten dat voor de totstandkoming van de verzekering jegens hem de vereiste zorgvuldigheid in acht werd genomen. Het lag op de weg van het assurantiekantoor om na te gaan of de gedupeerde voldoende geïnformeerd was over deze verzekering. Dit brengt met zich mee dat het assurantiekantoor diens zorgplicht jegens de gedupeerde heeft geschonden.

Daarnaast oordeelt de rechtbank wel dat de gedupeerde ook alerter had moeten zijn. De gedupeerde had namelijk zelf ook meer onderzoek moeten verrichten. Bijvoorbeeld naar de mogelijkheid van de fiscale aftrekbaarheid van de te betalen premies.

De rechtbank komt tot de conclusie dat ieders aandeel in het ontstaan van de schade even groot is, maar dat de billijkheid meebrengt dat het aandeel van het assurantiekantoor op 60 procent gesteld moet worden. Het assurantiekantoor handelde immers als professionele partij in het kader van dienst beroep en bedrijf, terwijl de gedupeerde als consument kan worden aangemerkt.

De partijen dienen zich nog nader uit te laten over de omvang van de schade.

Hoe zit dat met de zorgplicht van een  assurantietussenpersoon?

In de afgelopen jaren is regelmatig tot aan de Hoge Raad aan toe geprocedeerd over de (omvang van) de zorgplicht van de assurantietussenpersoon in relatie tot zijn opdrachtgever/de verzekerde. Zo heeft de Hoge Raad in 2003 bepaald dat de maatstaf die moet worden gehanteerd bij de bepaling van de omvang van de zorgplicht die een assurantietussenpersoon tegenover zijn opdrachtgever moet betrachten, is: “wat van een redelijk bekwaam en redelijk handelend beroepsgenoot mag worden verwacht.” Dit resulteert in een actieve een voortdurende bemoeienis door de assurantietussenpersoon. De tussenpersoon dient te bewerkstelligen dat de belangen van zijn opdrachtgever ter zake van elk van die verzekeringen steeds adequaat zijn gediend.

Uit de jurisprudentie kan verder worden afgeleid dat de zorgplicht van de assurantietussenpersoon omvangrijk is. Naast bemiddelen dient de assurantietussenpersoon ook te adviseren en begeleiden vóór, bij en na het tot stand komen van de verzekering.

Schendt de assurantietussenpersoon zijn zorgplicht en lijdt zijn opdrachtgever/de verzekerde schade, dan dient de assurantietussenpersoon daarvoor in rechte te worden aangesproken.

Contact

Wilt u graag advies over dit onderwerp? Schroom dan vooral niet om contact met ons op te nemen. U kunt ons bereiken op telefoonnummer 073-6900888, of stuur ons een facebookbericht of een e-mail naar info@jba.nl.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *