Wanneer iemand als gevolg van een misdrijf of overtreding schade oploopt, kan de benadeelde om een schadevergoeding vragen. De benadeelde kan een verzoek tot schadevergoeding zowel via het strafproces als via het civiele proces indienen. Als een benadeelde een verzoek tot schadevergoeding indient via het strafproces, dan voegt hij zich als benadeelde partij in het proces. De strafrechter beoordeelt dan het verzoek.

Met de mogelijkheid tot het instellen van een vordering door de benadeelde partij heeft de wetgever binnen het strafproces geprobeerd  te voorzien in – kort gezegd – een eenvoudige en laagdrempelige procedure die ertoe leidt dat personen die schade hebben geleden als gevolg van een strafbaar feit zoveel mogelijk schadeloos worden gesteld. Wanneer de rechter echter van mening is dat de vordering van de benadeelde partij een onevenredige belasting van het strafproces oplevert, kan de rechter bepalen dat de vordering in het geheel of voor een gedeelte niet-ontvankelijk is. Hierdoor kan de benadeelde partij slechts zijn vordering nog bij de civiele rechter aanbrengen.

In de praktijk kan deze vorm van een eenvoudige en laagdrempelige procedure tot schadeloosstelling van de benadeelde partij de strafrechter voor complexe afwegingen stellen. De strafrechter moet er namelijk voor zorgen dat tijdens die procedure zowel de civielrechtelijke voorschriften als de strafrechtelijke procedurele regels in acht worden genomen bij de beoordeling van een vordering van een benadeelde partij.

De Hoge Raad heeft daarom aanleiding gezien om aan de hand van zijn eerdere rechtspraak ten behoeve van de rechtspraktijk een aantal aandachtspunten te bespreken die bij de beoordeling van de vordering van een benadeelde partij een rol kunnen spelen. Met deze uiteenzetting beoogt de Hoge Raad te voorkomen dat de strafrechter vaker dan nodig gebruikmaakt van zijn bevoegdheid een benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk te verklaren, omdat de behandeling van deze vordering tot een onevenredige belasting van het strafproces zou opleveren. U kunt hier de uitspraak teruglezen.

Rechtstreekse schade

Allereerst wordt door de Hoge Raad benadrukt dat slechts de schade die de benadeelde partij heeft geleden als gevolg van de onrechtmatige gedraging van de verdachte, voor vergoeding in aanmerking komt.

Er is sprake van rechtstreekse schade wanneer er voldoende verband bestaat tussen het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en de schade van de benadeelde partij, aldus de Hoge Raad. Daarbij spelen de concrete omstandigheden een bepalende rol. Niet is vereist dat de schade betrekking heeft op voorwerpen die in de bewezenverklaring zijn vermeld. Voorts geldt met betrekking tot een schadevergoeding bij vermogensdelicten niet als bovengrens het bedrag dat de verdachte door het bewezenverklaarde misdrijf heeft verkregen. Evenmin is vereist dat de benadeelde partij is getroffen in een belang dat door de overtreden strafbepaling wordt beschermd.  Als voorbeeld van rechtstreekse schade wordt onder andere genoemd de reparatiekosten van een fiets die de benadeelde had laten vallen op het moment dat de benadeelde partij was mishandeld door de verdachte.

Affectieschade en verplaatste schade

Sinds 1 januari 2019 is de Wet Affectieschade van toepassing. Door deze wetsuitbreiding is de kring van gerechtigden bij de vordering tot een schadevergoeding verruimd, waardoor de naasten van slachtoffers de mogelijkheid hebben om affectieschade te vorderen wanneer er sprake is van overlijden of ernstig en blijvend letsel van het slachtoffer. Voorts licht de Hoge Raad toe dat de vergoeding voor affectieschade niet wordt gestoeld op artikel 6:106 BW.

Daarnaast geeft de Hoge Raad uitleg over de verplaatste schade. Met ingang van 1 januari 2019 kunnen derden zich voegen in het strafproces ter zake van de kosten die zij ten behoeve van het slachtoffer hebben gemaakt, de zogenoemde ‘verplaatste schade’. Het gaat dan om kosten die een derde maakt ten behoeve van het slachtoffer die het slachtoffer in principe ook zelf had kunnen verhalen op de verdachte. Hierbij kan gedacht worden aan reparatiekosten van een fiets en de kosten die de ouders hebben gemaakt voor de medische behandeling en begeleiding van een misbruikt kind. De Hoge Raad maakt hierbij overigens de kanttekening dat het betalen van de schadevergoeding aan een derde eveneens betekent dat de verdachte is bevrijd van betaling van de schadevergoeding aan het slachtoffer.

Niet te snel niet-ontvankelijk verklaren

Zoals gezegd moet de strafrechter een oordeel geven over het toe- of afwijzen van de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij. Bij de beoordeling daarvan gelden de regels van stelplicht en bewijslastverdeling in civiele zaken.

De Hoge Raad verlangt van de strafrechter dat hij niet te snel zal overgaan tot het niet-ontvankelijk verklaren van de vordering van de benadeelde partij. De Hoge Raad benadrukt hierbij dat een strafrechter ook de mogelijkheid heeft om de vordering van de benadeelde te splitsen. Op die manier kunnen onnodige niet-ontvankelijkheidsverklaringen worden voorkomen. Wanneer de vordering wordt gesplitst, kan de benadeelde partij het resterende deel van zijn vordering alsnog aan de civiele rechter voorleggen. Slechts in de gevallen waarin de strafrechter zich niet kan verzekeren van het feit dat beide partijen voldoende de gelegenheid hebben gehad hun visie met betrekking tot de toewijsbaarheid van de vordering aan hem voor te leggen, mag de strafrechter overgaan tot het niet-ontvankelijk verklaren van de vordering.

Bent u slachtoffer van een onrechtmatige gedraging en wilt u uw schade vergoed zien?

Schroom dan vooral niet om contact met ons op te nemen. U kunt ons bereiken op telefoonnummer 073-6900888, of stuur ons een Facebookbericht of een e-mail naar info@jba.nl.

 

 

 

 

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *