Bij de afwikkeling van een letselschadezaak is het onder bepaalde omstandigheden mogelijk om een voorbehoud op te nemen. Indien je als slachtoffer van een ongeval een botbreuk hebt opgelopen en je door deze botbreuk bijvoorbeeld een groter risico op artrose hebt dan normaal, kun je voor dit risico op artrose een voorbehoud opnemen in de vaststellingsovereenkomst. Maar ook wanneer er een risico bestaat dat er in de toekomst een nieuwe operatie plaats zal moeten vinden, is het mogelijk om daarvoor een voorbehoud op te nemen. Op die manier wordt de zaak niet helemaal definitief afgewikkeld, maar kan de zaak opnieuw worden ‘opengebroken’ indien er artrose ontstaat of er een operatie plaats moet vinden. De schade als gevolg van de artrose en/of deze operatie moeten dan alsnog door de aansprakelijkheidsverzekeraar worden vergoed.

De casus

Onlangs verscheen er een arrest van het Gerechtshof Den Bosch over de vraag hoe het precies zit met de verjaring wanneer in de vaststellingsovereenkomst een voorbehoud is opgenomen. De casus was als volgt: een student tandheelkunde overkwam op 19-jarige leeftijd een ongeval (dit was in 1980). Hij liep letsel op aan zijn rechterknie. De aansprakelijkheid voor het ongeval werd vervolgens door de aansprakelijkheidsverzekeraar erkend en in 1985 werd tussen de tandarts (het slachtoffer) en de aansprakelijkheidsverzekeraar een vaststellingsovereenkomst gesloten, waarin was bepaald dat de aansprakelijkheidsverzekeraar een bedrag van 23.500 gulden zou betalen tegen finale kwijting (de zaak werd dus in beginsel definitief afgewikkeld). In diezelfde overeenkomst werd echter ook een voorbehoud opgenomen voor:

‘de financiële gevolgen waarvan vastgesteld wordt dat deze voortvloeien uit een belangrijke afwijking ten opzichte van de situatie en de invalidering als beschreven in het rapport (uit 1982) van de als onafhankelijk deskundige benoemde orthopeed’.

In 2007 bleek dat de tandarts last had van posttraumatische artrose in de knie. Pas in 2008 beek dat deze artrose het gevolg was van het ongeval uit 1980. De advocaat van de tandarts schreef daarom in 2008 de aansprakelijkheidsverzekeraar aan en deed een beroep op het voorbehoud. Daarmee wilde hij de zaak opnieuw ‘openbreken’, zodat de verzekeraar de schade als gevolg van de artrose moest vergoeden. Daarvoor was immers een voorbehoud opgenomen, nietwaar?

De verzekeraar stelde zich echter op het standpunt dat het voorbehoud was verjaard, omdat door de tandarts (of de advocaat van de tandarts) niet telkens om de 5 jaar een stuitingsbrief was verstuurd, waarin hij heeft laten weten dat de tandarts onverminderd aanspraak zou blijven maken op de rechten die hij had op basis van het voorbehoud, zoals dat in de vaststellingsovereenkomst was opgenomen.

Verjaring?

Voordat wij ingaan op de visie van het Gerechtshof is het van belang te weten dat er in ons Burgerlijk Wetboek onderscheid wordt gemaakt tussen 2 verjaringstermijnen, te weten: de absolute verjaringstermijn van 20 jaar, die aanvangt op de dag dat de schadeveroorzakende gebeurtenis plaatsvindt, en daarnaast de relatieve verjaringstermijn van 5 jaar, die aanvangt op de dag dat het slachtoffer bekend wordt met zijn schade en de daarvoor aansprakelijke persoon. Indien één van beide termijnen verstrijkt, zonder dat de verjaring tijdig wordt gestuit, is de zaak (of in dit geval het voorbehoud) verjaard.

Relatieve verjaring (5 jaar)

Het hof oordeelde dat de relatieve verjaringstermijn van 5 jaar in dit geval pas is gaan lopen in 2008. Dit is namelijk het moment dat het slachtoffer de link kon leggen naar het ongeval en hij bekend was met de schade en de aansprakelijke persoon. Omdat vervolgens de advocaat binnen de vijfjaarstermijn een vordering instelde, vond het Hof dat geen sprake was van relatieve verjaring van het voorbehoud.

Absolute verjaring (20 jaar)

De aansprakelijkheidsverzekeraar beweerde vervolgens echter dat ook de absolute verjaringstermijn van 20 jaar verstreken was en dat het voorbehoud daarom was verjaard. Het ongeval was immers al in 1980 gebeurd, zodat de tandarts zijn schade al in 1980 kon opeisen, nietwaar? Doordat er vervolgens 20 jaar was verstreken zonder dat de tandarts een beroep had gedaan op vergoeding van zijn schade (op basis van het voorbehoud), vond de aansprakelijkheidsverzekeraar dat de zaak ook absoluut verjaard was.

Het Hof oordeelde gelukkig anders. Het ongeluk was weliswaar in 1980 gebeurd, maar door het sluiten van de vaststellingsovereenkomst, met daarin het voorbehoud, was de (eerst in 1980 opeisbare) vordering van de tandarts op grond van artikel 3:307 lid 2 BW omgezet in een nog niet opeisbare vordering. Door het sluiten van de vaststellingsovereenkomst met het voorbehoud kreeg de tandarts daarmee dus in 1985 een vervangende, nog niet opeisbare vordering, waar het ging om de mogelijke toekomstige gevolgen die in het voorbehoud stonden. Het voorbehoud was er immers voor bedoeld om een toekomstig risico om onverwachte klachten in de toekomst af te dekken. Het recht op schadevergoeding voor die onverwachtste toekomstige klachten ontstaat dan pas zodra deze klachten ontstaan, en het voorbehoud kan worden ingeroepen.

Omdat pas in 2008 voldaan werd aan de voorwaarden van het voorbehoud, is dit volgens het Hof het moment dat de vordering van de tandarts uit hoofde van het voorbehoud ‘opeisbaar’ werd. De absolute verjaringstermijn begon dan ook pas in 2008 te lopen met betrekking tot het voorbehoud. De zaak was gelukkig dus nog niet absoluut verjaard.

Dit was dus goed nieuws voor de tandarts. Hij kon zijn schade die hij leed door de artrose gewoon verhalen op de aansprakelijkheidsverzekeraar.

Contact

Wilt u graag advies over dit onderwerp? Schroom dan vooral niet om contact met ons op te nemen. U kunt ons bereiken op telefoonnummer 073-6900888, of stuur ons een facebookbericht of een e-mail naar info@jba.nl.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *