Val van motorkap. Eigen schuld?

Onlangs heeft de Rechtbank Rotterdam zich uitgelaten over de vraag of een wegrijdende automobilist aansprakelijk is voor de gevolgen van een ongeval waarbij een man op de motorkap belandde na een burenruzie op het parkeerterrein. De uitspraak kunt u hier teruglezen.

Wat was er aan de hand?

De eiser in deze zaak betreft een zelfstandig ondernemer die meerdere panden bezit. De gedaagde in deze zaak was in 2008 een van de huurders van een pand van eiser. Op 7 augustus 2008 heeft op het parkeerterrein bij dit pand een incident tussen eiser en gedaagde plaatsgevonden. Er was sprake van een hevige woordenwisseling, waarbij de gemoederen hoog opliepen. Tijdens deze woordenwisseling is gedaagde in zijn auto gestapt en is eiser op de motorkap van de auto beland en ten val gekomen, terwijl de auto in beweging kwam.

Eiser heeft gedaagde en diens verzekeraar aansprakelijk gesteld voor de val op 7 augustus 2008. Hij stelt ernstig letsel opgelopen te hebben aan zijn knie. Eiser is geopereerd aan zijn knie en heeft lang moeten revalideren. Volgens eiser heeft gedaagde jegens hem een toerekenbare onrechtmatige daad gepleegd. Eiser is van mening dat gedaagde op grond van artikel 185 Wegenverkeerswet (WVW) aansprakelijk is voor zijn schade.

Volgens gedaagde wilde eiser hem fysiek geweld aandoen. Gedaagde stelt dat eiser op de motorkap van zijn auto klom en dat hij stapvoetsgewijs zijn auto in weging bracht om ervoor te zorgen dat eiser uit eigen bewening van de motorkap zou afstappen. Gedaagde voert aan dat hij zich bedreigd voelde door eiser en dat er sprake is van noodweer, dan wel overmacht.

Verder voert gedaagde aan dat, mocht hij toch aansprakelijk worden geacht, er sprake is van eigen schuld aan de zijde van eiser. Ook stelt gedaagde dat er sprake is van opzet of bewuste roekeloosheid aan de zijde van eiser. Volgens gedaagde zijn de gedragingen van eiser dermate verwijtbaar en heeft eiser het gedrag van gedaagde zozeer uitgelokt dat de vergoedingsplicht van gedaagde op grond van de billijkheidscorrectie geheel moet komen te vervallen.

Wat oordeelt de rechtbank over de aansprakelijkheid en het overmachtsverweer?

De rechtbank overweegt dat artikel 185 WVW van toepassing is en dat van overmacht slechts sprake is indien de gedaagde rechtens geen enkel verwijt kan worden gemaakt. Over de toedracht bestaat tussen partijen discussie. Wat volgens de rechter in ieder geval wel is vast komen te staan is dat eiser op de motorkap van de auto is beland, dat hij daarvan af is gevallen en dat gedaagde daarna is weggereden. Het ligt daarom op de weg van gedaagde om aannemelijk te maken dat er aan zijn zijde sprake is geweest van overmacht.

De rechtbank overweegt vervolgens dat er geen sprake is van overmacht, ondanks dat gedaagde zich wellicht bedreigd voelde. Gedaagde zat namelijk in de auto beschermd tegen eventueel dreigend fysiek geweld en had in zijn auto kunnen wachten op hulp of kunnen wachten tot de gemoederen waren bedaard. Vervolgens had de gedaagde alsnog op een verkeersveilige wijze het parkeerterrein kunnen verlaten. Dit heeft gedaagde echter niet gedaan en daarom kan hem rechtens een verwijt worden gemaakt. Dat betekent dat gedaagde op grond van artikel 185 WVW aansprakelijk is voor de schade die eiser heeft geleden als gevolg van het incident op het parkeerterrein.

Is er sprake van opzet of aan opzet grenzende roekeloosheid of eigen schuld aan de zijde van eiser?

Volgens de rechtbank is vast komen te staan dat eiser bewust heeft geprobeerd te verhinderen dat gedaagde van het parkeerterrein af zou rijden. Volgens de rechtbank heeft eiser zich bewust aan het gevaar blootgesteld dat de auto tegen hem aan zou rijden, aangezien hij voor de auto is gaan staan terwijl duidelijk was dat deze weg wilde rijden. Er is daarom volgens de rechtbank sprake van aan opzet grenzende roekeloosheid aan de zijde van eiser.

Dit heeft tot gevolg dat het door gedaagde gedane beroep op eigen schuld moet worden beoordeeld op basis van de algemene regels van artikel 6:101 van het Burgerlijk Wetboek (BW). De rechtbank overweegt dat het eigen gedrag van eiser in grote mate heeft bijgedragen aan zijn val van de auto. De rechtbank oordeelt dat de oorzaak van de val voor 75% aan gedragingen van eiser zelf en voor 25% aan gedragingen van gedaagde kan worden toegerekend. De rechtbank ziet verder geen aanleiding om op grond van de billijkheid tot een andere verdeling van de vergoedingsplicht te komen.

Conclusie

De rechtbank verklaart voor recht dat gedaagde verplicht is tot vergoeding van 25% van de door eiser als gevolg van het incident van 7 augustus 2008 geleden schade.

Heeft u vragen over dit onderwerp?

Dit blog is geschreven door Femke Uijen. Heeft u een vraag over dit onderwerp of bent u benieuwd wat wij voor u kunnen betekenen, bel dan met 073 212 0027, stuur een Facebookbericht, of stuur een e-mail naar info@jba.nl.

 

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.