Nu het kabinet vanwege de oplopende coronabesmettingen voorlopig een streep heeft gezet door de amateursport in teamverband, is fitness een van de weinige overgebleven sportactiviteiten voor volwassen Nederlanders. Dat een bezoekje aan de plaatselijke sportschool echter niet zonder risico is, blijkt wel uit een uitspraak die de Rechtbank Noord-Holland eerder dit jaar deed.

Feiten 

Eiser in onderhavige zaak is een mannelijke sportschoolganger, die gemiddeld twee à drie keer per week zelfstandig traint en dat al gedurende drie maanden doet. Hij liep in de vroege ochtend van 10 november 2017 lichamelijk letsel op tijdens het uitvoeren van de ‘windshield wiper’, een populaire buiksportoefening waarbij men op de rug op de grond gaat liggen met de benen in een hoek van 90 graden bij elkaar in de lucht, om vervolgens de benen van links naar rechts te bewegen (zoals een ruitenwisser). De sportschoolganger nam plaats onder een halterstang, die hij met gestrekte armen vasthield ter ondersteuning.

Tijdens het uitvoeren van de ‘windshield wiper’ lag hij met zijn hoofd richting een squatrek. In dat squatrek rustte op zogenoemde dipstangen een halterstang met een gewicht van ongeveer 15 kilogram. Op enig moment is deze halterstang, zonder dat op dat moment iemand anders in de buurt was, van de dipstangen afgerold en op het hoofd van de sportschoolganger gevallen. Hij kampt sindsdien met klachten als hoofdpijn, vermoeidheid en stress.

Juridisch kader 

De sportschoolganger stelt de sportschool bij de rechtbank aansprakelijk voor de gevolgen van het ongeval dat hem is overkomen. Hij baseert zijn verzoek op grond van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (BW), nu de sportschool een gevaarlijke situatie in het leven heeft geroepen door een (losse) halterstang op de dipstangen van het squatrek neer te (laten) leggen en daar langere tijd te laten liggen. Volgens de sportschoolganger had het personeel van de sportschool de halterstang moeten opruimen of hem moeten waarschuwen voor het gevaar dat op de loer lag.

Of in onderhavige zaak gevaarzettend is gehandeld door (het personeel van) de sportschool, dient beoordeeld te worden aan de hand van de klassieke Kelderluik-criteria. De criteria, ontwikkeld in het Kelderluik-arrest, luiden als volgt:

  • de mate van waarschijnlijkheid waarmee niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid kan worden verwacht;
  • de kans dat dit tot ongevallen leidt;
  • de ernst die de gevolgen daarvan kunnen hebben en;
  • de mate van bezwaarlijkheid van het nemen van veiligheidsmaatregelen.

Daarbij komt dat uit vaste rechtspraak volgt dat in sport- en spelsituaties een hogere drempel voor aansprakelijkheid geldt. Sport- en spelsituaties gaan immers onvermijdelijk gepaard met een bepaald risico dat op voorhand wordt geaccepteerd door de deelnemers. Wat in het dagelijkse leven wellicht onrechtmatig zou zijn, hoeft dat in sport- en spelsituaties niet te zijn.

Oordeel rechtbank 

Het verzoek van de sportschoolganger om de sportscholen aansprakelijk te houden voor de gevolgen van het ongeval, wordt uiteindelijk afgewezen door de rechtbank. Nadat vast komt te staan dat de halterstang ‘onder geen beding vanzelf kan rollen wanneer zij op de dipstangen ligt’ en ‘er altijd sprake moet zijn van hulp of invloed van buiten om de halterstang in beweging te zetten’, stelt de rechtbank dat enkel het liggen van een losse halterstang op de dipstangen niet reeds een gevaarlijke situatie oplevert. Volgens de rechtbank zijn ongevallen niet te verwachten indien een halterstang in een squatrek op de dipstangen rust.

De rechtbank heeft ook oog voor de eigen verantwoordelijkheid van de sportschoolganger. Verzoeker is een betrekkelijk ervaren sporter, nu hij voor een periode van drie maanden minstens tweemaal per week de sportschool bezocht en daar zelfstandig oefeningen deed. Derhalve diende hij de nodige oplettendheid en voorzichtigheid te betrachten en hoefde het personeel van de sportschool geen rekening te houden met de mogelijkheid dat de sportschoolganger de ‘windshield wiper’ in de buurt van het squatrek zou uitvoeren. Aanvullende veiligheidsmaatregelen konden dan ook niet verwacht worden van het personeel. De rechtbank oordeelt uiteindelijk dat klaarblijkend sprake is van een ongelukkige samenloop van omstandigheden, waarvoor niemand aansprakelijk gehouden kan worden.

Conclusie

Dat de sportschoolganger in onderhavige zaak achter het net vist bij de rechtbank, komt niet als een grote verrassing, nu de oorsprong van het ontstane gevaar onherleidbaar is. Men kan zich echter afvragen hoe de rechtbank had geoordeeld indien het letsel van de sportschoolganger niet was veroorzaakt door een halterstang die op onverklaarbare wijze op diens hoofd was gevallen, maar door bijvoorbeeld rondslingerende gewichten of dumbbells. Dat laatste is bepaald geen zeldzaamheid in vaak overbevolkte sportscholen en is doorgaans te herleiden tot het nonchalante en onachtzame gedrag van medesporters. Van een sportschool die overstroomd wordt door rondslingerende gewichten en dumbbells, zou wellicht dus een strenger opruimbeleid verwacht mogen worden. Aan de andere kant zou men kunnen betogen dat een bezoeker van een dergelijke sportschool bedacht moet zijn op materiaal dat rondslingert en zich dus niet zonder meer kan verschuilen achter de vermeende opruimverplichting van het personeel. Ik zou de dolenthousiast(e) (geworden) sportschoolganger hoe dan ook het goedbedoelde advies willen meegeven om de komende tijd op zijn hoede te zijn voor rondslingerend materiaal in de sportschool!

Heeft u vragen over dit onderwerp?

Dit blog is geschreven door Demen Bülbül. Heeft u een vraag over dit onderwerp of bent u benieuwd wat wij voor u kunnen betekenen, bel dan met 073-6900888, stuur een facebookbericht, of stuur een e-mail naar info@jba.nl.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *