Inmiddels is de wetgever druk doende met de wijziging van het Burgerlijk Wetboek, waardoor vergoeding van affectieschade mogelijk wordt gemaakt. De nieuwe wet treedt op 1 januari 2019 in werking. Helaas voor veel naasten en nabestaanden te laat. Zo ook voor een thuiswonende studente die in 2015 haar vader voor de woning aantrof met bloed uit zijn mond. Haar vader was neergestoken en aan zijn verwondingen overleden. Het hof in Den Haag boog zich over deze zaak en deed op 7 augustus jl. uitspraak. U kunt de uitspraak hier teruglezen.

Eerste aanleg

Op 20 september 2016 is de dader door een meervoudige strafkamer schuldig bevonden aan doodslag en veroordeeld tot een gevangenisstraf van negen jaar. Daarop heeft de studente de dader civielrechtelijk aansprakelijk gesteld en onder andere € 25.000,00 aan smartengeld (immateriële schade) gevorderd wegens shockschade. Zij stelt als gevolg van de confrontatie met de gevolgen van het misdrijf een posttraumatische stressstoornis (PTSS) te hebben ontwikkeld en heeft zich hiervoor onder behandeling gesteld. De studente overlegt in de procedure verklaringen van de huisarts en psycholoog.

In eerste aanleg acht de rechtbank shockschade bewezen en wijst een smartengeldvergoeding van € 10.000,00 toe. De studente is het niet eens met de hoogte van dit bedrag en gaat in hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank.

Hoger beroep 

Het hof overweegt terecht dat immateriële schade die bestaat uit het verdriet om het overlijden van een naaste, de zogenoemde affectieschade, op dit moment nog niet voor vergoeding in aanmerking komt. Alleen shockschade komt voor vergoeding in aanmerking. Hier is sprake van indien iemand een psychiatrisch erkend ziektebeeld ontwikkeld door de confrontatie met de gebeurtenis waardoor iemand overlijdt of de directie confrontatie met de gevolgen van de gebeurtenis.

Het hof is van oordeel dat de studente onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er enkel sprake is van shockschade en er niet mede of louter sprake is van affectieschade. Volgens het hof wordt de diagnose PTSS niet door de huisarts of de psycholoog bevestigd, nu de huisarts het vermoeden uitspreekt van PTSS en de psycholoog spreekt over posttraumatische stressklachten. Hieruit kan niet met voldoende zekerheid worden opgemaakt dat er sprake is van een psychiatrisch erkend ziektebeeld en dat dit het gevolg is van de directe confrontatie met de gevolgen van het misdrijf.

Omdat het hof duidelijkheid wil over de vraag of er sprake is van shockschade of affectieschade gelast zij een psychiatrische expertise, waarbij een onafhankelijk psychiater zich over deze vraag zal uitlaten.

Conclusie

Met de invoering van de wetswijziging die vergoeding voor affectieschade mogelijk maakt zal bovenstaande discussie grotendeels voorkomen worden, omdat men dan ook in het geval van enkel affectieschade recht heeft op een schadevergoeding. Daarbij dient echter wel opgemerkt te worden dat in de nieuwe wet vaste bedragen zijn opgenomen voor vergoeding affectieschade. Meent iemand recht te hebben op een hoger bedrag omdat er ook sprake zou zijn van shockschade, dan blijft de bewijslast voor wat betreft een erkend psychiatrisch ziektebeeld en het causaal verband tussen de directe confrontatie met de gebeurtenis of de gevolgen van de gebeurtenis hetzelfde.

Contact

Wilt u graag advies over dit onderwerp? Schroom dan vooral niet om contact met ons op te nemen. U kunt ons bereiken op telefoonnummer 073-6900888, of stuur ons een facebookbericht of een e-mail naar info@jba.nl.

 

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *