Onlangs heeft de Rechtbank Rotterdam zich uitgelaten over de vraag of een werkgever aansprakelijk was voor de schade die zijn werknemer ten gevolge van een arbeidsongeval had opgelopen. De werkgever verweerde zich onder meer door te stellen dat de werknemer zijn klachtplicht had geschonden. De uitspraak kunt u hier teruglezen.

Wat was er aan de hand?

Op vrijdag 9 december 2016 was de werknemer aan het werk op een bouwproject. Hij stond hier op een houten steiger en was bezig met het verplaatsen van stenen van de ene verdieping van de steiger naar de andere verdieping. Op een gegeven moment is de werknemer tijdens zijn werkzaamheden door de steiger gezakt. Hierbij heeft hij knieletsel opgelopen.

Sinds 9 december 2016 heeft de werknemer geen werkzaamheden meer verricht. Op 19 december 2016 heeft hij zich telefonisch ziek gemeld. Vervolgens heeft de toenmalige gemachtigde van de werknemer op 20 mei 2017 de werkgever aansprakelijk gesteld op grond van artikel 7:658 BW. De werkgever heeft aansprakelijkheid van de hand gewezen.

Op 8 maart 2018 heeft een nieuwe gemachtigde van de werknemer een tweede aansprakelijkstelling gezonden aan de werkgever. Opnieuw werd aansprakelijkheid afgewezen. De verzekeraar van de werkgever heeft op 23 oktober 2018 opdracht gegeven aan een onderzoeksbureau om nader onderzoek te doen naar het gestelde arbeidsongeval en de gestelde toedracht daarvan.

Het verzoek en verweer

De werknemer heeft de rechtbank verzocht voor recht te verklaren dat zijn werkgever op grond van 7:658 BW aansprakelijk is voor alle door hem geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade, als gevolg van het hem overkomen arbeidsongeval van 9 december 2016. Hij voert daartoe aan dat het ongeval plaatsvond tijdens de uitvoering van zijn werkzaamheden. Voor werkgeversaansprakelijkheid is voldoende dat hij als werknemer stelt (en zo nodig) bewijst dat hij in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade heeft geleden, overeenkomstig het bepaalde in artikel 7:658 tweede lid BW. De werknemer stelt dat hij voldoende heeft gesteld omtrent de toedracht van het ongeval en zodoende aan de op hem rustende verplichting heeft voldaan.

De werkgever voert gemotiveerd verweer. Primair voert de werkgever aan dat het verzoek moet worden afgewezen omdat de werknemer de op hem rustende klachtplicht van artikel 6:89 BW heeft geschonden. Hij stelt hierdoor benadeeld te zijn in zijn bewijspositie. Daarnaast voert de werkgever inhoudelijk verweer.

De klachtplicht van artikel 6:89 BW

Artikel 6:89 BW bepaalt dat de schuldeiser op een gebrek in de prestatie geen beroep meer kan doen, indien hij niet binnen bekwame tijd nadat hij het gebrek heeft ontdekt of redelijkerwijs had moeten ontdekken, bij de schuldenaar ter zake heeft geprotesteerd.

De ratio achter deze bepaling is onder meer dat een schuldenaar kan worden benadeeld in zijn bewijspositie indien een schuldeiser niet tijdig klaagt. De kantonrechter gaat ervan uit dat deze klachtplicht ook van toepassing is op situaties waarin personenschade is ontstaan tijdens werkzaamheden waarop een arbeidsovereenkomst van toepassing is. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 8 februari 2013 namelijk overwogen dat dit artikel van toepassing is op ‘alle verbintenissen’, waaronder een (op een gebrek gebaseerde) actie uit onrechtmatige daad. Bij beantwoording van de vraag of tijdig is geklaagd rekening dient te worden gehouden met alle omstandigheden van het geval.

Wat oordeelt de rechtbank?

De rechtbank geeft aan dat de werkgever in ieder geval op 19 december 2016 wist dat de werknemer zich ziek had gemeld. Zij heeft die ziekmelding ook geaccepteerd, zonder daar verder onderzoek naar te doen. Ook staat vast dat de werknemer vanaf de middag van 9 december 2016 geen werk meer heeft verricht. Volgens de rechtbank lag het daarom op de weg van de werkgever om onderzoek te doen naar de reden van afwezigheid. Dat heeft zij niet gedaan. Ook na de ziekmelding heeft de werkgever nagelaten enige actie hierin te ondernemen.

Zelfs na de ontvangst van de eerste aansprakelijkstelling van 20 mei 2017, waarin uitdrukkelijk melding wordt gemaakt van een arbeidsongeval op 9 december 2016, heeft de werkgever geen actie ondernomen. Dat de werkgever vervolgens pas ná ontvangst van de tweede aansprakelijkstelling in maart 2018 aanleiding zag om een onderzoek te starten teneinde de exacte toedracht van het ongeval te achterhalen, kan volgens de rechtbank niet aan de werknemer worden tegengeworpen. De werkgever had al in een eerder stadium de mogelijkheid moeten aangrijpen nader onderzoek te doen naar de toedracht van het ongeval. De rechtbank oordeelt dat de klachtplicht niet is geschonden.

Ook het inhoudelijke verweer van de werkgever houdt geen stand. De rechtbank is van oordeel dat de werknemer voldoende onderbouwd heeft gesteld dat op 9 december 2016 een arbeidsongeval heeft plaatsgevonden. Het is vervolgens aan de werkgever om aan te tonen dat hij aan zijn zorgplicht heeft voldaan. Hierin slaagt de werkgever niet.

Conclusie

In geval van werkgeversaansprakelijkheid kan een werkgever een beroep doen op een schending van de klachtplicht van artikel 6:89 BW. Een dergelijk beroep slaagt niet zonder meer, nu van de werkgever over het algemeen verwacht mag worden dat hij op eigen initiatief onderzoek doet naar de toedracht van een ongeval waarbij een werknemer is betrokken.

Heeft u vragen over dit onderwerp?

Schroom dan vooral niet om contact met ons op te nemen. U kunt ons bereiken op telefoonnummer 073-6900888, of stuur ons een facebookbericht of een e-mail naar info@jba.nl.

 

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *