Al eerder hebben wij een artikel geschreven over de opzetclausule in het verzekeringsrecht. Het uitgangspunt voor een verzekeraar is dat de schade, die door eigen schuld van een verzekerde wordt veroorzaakt, niet vergoed hoeft te worden door de verzekeraar (artikel 7:952 BW).  Sterker nog: indien de schade met opzet wordt toegebracht, dan bestaat er al helemaal geen vergoedingsverplichting voor de verzekeraar. Dit wordt ook wel de opzetclausule genoemd. Deze opzetclausule wordt sinds jaar en dag door verzekeraars gehanteerd in met name in de voorwaarden van aansprakelijkheidsverzekeringen (AVP).

Een aansprakelijkheidsverzekering (AVP) is zoals in het eerdere artikel beschreven niet verplicht, maar biedt in veel situaties wel uitkomst. Maar wat als je door opzet schade hebt aangericht? Kan je dan een beroep doen op je aansprakelijkheidsverzekeraar? En wat wordt er dan precies bedoelt met opzet? In dit artikel staan wij graag nog eens stil bij de opzetclausule.

Opzet – 2 soorten

Je hebt verschillende soorten opzet. De eerste vorm is opzet als oogmerk. Dit houdt in dat je willens en wetens een handeling verricht en het effect ook hebt beoogd. Moord is hier een sprekend voorbeeld van.

De tweede vorm is opzet als zekerheidsbewustzijn. Er is sprake van opzet als zekerheidsbewustzijn indien iemand een handeling willens en wetens verricht en daarbij weet dat er schade ontstaat hetgeen hij niet beoogd, maar de handeling toch verricht. Diegene die de handeling verricht stelt zich door de handeling bloot aan de aanmerkelijke kans dat de schade zich gaat verwezenlijken.

Een voorbeeld van opzet als zekerheidsbewustzijn: een verzekeringsnemer die zijn boot opblies teneinde de schadevergoeding uit hoofde van de voor de boot afgesloten verzekering te kunnen innen, wetende dat er zich mensen aan boord bevonden die de ontploffing van het zware explosief niet zouden overleven.

Deze twee vormen van opzet worden als de twee zwaarste vormen van opzet gezien. Zij zijn uitgesloten van dekking. Dekking hiervan zou namelijk in strijd zijn met de openbare orde en de goede zeden.

Deze twee vormen dienen onderscheiden te worden van voorwaardelijk opzet.

Voorwaardelijk opzet – de 3e soort

Voorwaardelijk opzet is de derde soort van opzet. Bij voorwaardelijk opzet gaat het erom dat de veroorzaker bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de schade het gevolg is van zijn handelen. Dit werd in de polisvoorwaarden van verzekeraars als volgt duidelijk gemaakt:

“Uitgesloten is de aansprakelijkheid van een verzekerde voor schade die voor hem het beoogde of zekere gevolg is van zijn handelen of nalaten.

Deze eerste clausule bleek echter niet effectief in de bescherming van de verzekeraar. Voorwaardelijk opzet bleek namelijk toch onder de dekking te vallen. Daarom kwam er een nieuwe clausule. Een die beoogde duidelijkheid te scheppen ten aanzien van de reikwijdte van de dekking door uit te sluiten:

“De aansprakelijkheid van een verzekerde voor schade veroorzaakt door en/of voortvloeiende uit zijn/haar opzettelijk en tegen een persoon of zaak gericht wederrechtelijk handelen of nalaten.”

Deze tweede clausule maakt een koppeling van de opzet aan het handelen en niet langer aan het gevolg (de schade) zoals de eerste clausule.

Verwarring: dekking of niet?

Denk aan een verzekeraar die zich bij roekeloos gedrag van een verzekerde beroept op de opzetclausule. Of aan hotelbezoekers in Salou die handdoeken op het balkon in brand steken, waarna het hotel in vlammen. Dit zijn duidelijke voorbeelden van opzet en schade die voortvloeit uit opzettelijk handelen. Je zou dus zeggen dat deze van dekking zijn uitgesloten.

Toch bestaat er op dit punt veel discussie. Voorheen, dus in de tijd van de eerste clausule, was duidelijk dat voorwaardelijk opzet ‘gewoon’ onder de dekking viel (en dus niet tot de opzetclausule behoorde). Dit blijkt ook wel uit het in het eerdere artikel besproken Bierglas-arrest.

In dit arrest gaat het om een minderjarige jongen die met zijn vrienden uit een café wordt verwijderd. De jongen werpt, in zijn woede over de gang van zaken, een bierglas dat hij in zijn hand heeft tegen een hek. Splinters van het glas treffen het oog van het slachtoffer.

De jongen die het bierglas gooide is meeverzekerd op de door zijn vader afgesloten aansprakelijkheidsverzekering. De verzekering was van mening dat zij geen dekking hoeven te verlenen, zij beroepen zich namelijk op de eerste clausule: “Uitgesloten is de aansprakelijkheid van een verzekerde voor schade die voor hem het beoogde of zekere gevolg is van zijn handelen of nalaten.

De Hoge Raad dacht hier echter anders over en oordeelde dat de schade veroorzaakt door het voorwaardelijk opzet (bewust de aanmerkelijke kans aanvaarden dat de schade het gevolg is van zijn handelen) wel viel onder de dekking van de aansprakelijkheidsverzekering. De Hoge raad vond dit redelijk vanwege de aard van de aansprakelijkheidsverzekering die weliswaar door de verzekerde is gesloten in zijn eigen belang, maar in feite tevens in het belang van eventuele slachtoffer is.

Aanpassing van de clausule na het Bierglas-arrest

Doordat de eerste clausule dus niet effectief bleek te zijn voor verzekeraars is de tweede clausule is geformuleerd. Deze tweede clausule is aangescherpt. Het draait nu om de opzet op de gedraging en niet meer om het opzet op de schade. Dit leidt ertoe dat de verzekeraar eerder een beroep op de opzetclausule toekomt en er dus geen dekking wordt verleend.

Wel is bij deze tweede clausule nog steeds het bewust handelen, gericht op het toebrengen van letsel of zaakschade vereist. Dit betekent dat voorwaardelijk opzet dus ook onder deze tweede clausule nog steeds gedekt kan zijn, hetgeen in het voordeel kan zijn van veel slachtoffers.

Contact

Hebt u een vraag over de opzetclausule of bent u benieuwd wat wij voor u kunnen betekenen, bel dan met 073-6900888, stuur een facebookbericht, of stuur e-mail naar info@jba.nl.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *