Op 6 juli 2018 heeft de Hoge Raad zich uitgelaten over de vraag of artikel 7:941 lid 5 BW ook van toepassing is in de relatie tussen een benadeelde en een WAM-verzekeraar. In dit artikel is bepaald dat het recht op een uitkering vervalt indien de uitkeringsgerechtigde niet voldoet aan de verplichting om de verzekeraar binnen een redelijke termijn alle inlichtingen en bescheiden te verschaffen die nodig zijn voor de beoordeling van de aansprakelijkheid, met het doel de verzekeraar te misleiden. U kunt de uitspraak hier nalezen.  

Casus

Het betreft een ongeval van 17 september 2001, waarbij twee auto’s betrokken waren. Allianz heeft de aansprakelijkheid voor het ongeval erkend. De bestuurder van de bij Allianz verzekerde auto, eiser, heeft laten weten dat er geen passagiers in de andere auto zaten. Verweerster geeft echter aan dat zij wel degelijk in de auto zat en wil dan ook dat Allianz haar schade vergoedt. Ter onderbouwing van deze stelling heeft zij schriftelijke verklaringen van zichzelf en nog vijf andere personen overgelegd. Vier van deze personen hebben verklaard dat zij verweerster kort na het ongeval weg hebben zien lopen van de plek van het ongeval.

Van twee verklaringen is echter later gebleken dat deze vals waren. Allianz heeft daarom aangifte gedaan van oplichting, valsheid in geschift en meineed door diverse getuigen en daarop heeft de rechtbank strafrechtelijke veroordelingen uitgesproken tegen verweerster en vier getuigen. Verweerster en twee getuigen zien hiertegen in beroep gegaan en (gedeeltelijk) vrijgesproken.

Rechtbank en hof

In eerste aanleg van de civiele procedure, waarin verweerster een verklaring voor recht vordert dat Allianz aansprakelijk is voor haar letsel en een vergoeding van haar schade eist, is de vordering afgewezen. In hoger beroep heeft het hof het vonnis van de rechtbank vernietigd en Allianz hoofdelijk veroordeeld om de schade aan verweerster te vergoeden. Het hof is van oordeel dat voldoende vast is komen te staan dat verweerster als passagier bij het ongeval betrokken is geraakt. Zij heeft hierover telkens consequent verklaard. Daarnaast is er volgens het hof overtuigend aanvullend bewijs aanwezig voor de stelling van verweerster, waaronder de huisartsenkaart in combinatie met het aanrijdingsformulier. Ook heeft eiser pas in april 2002 verklaard dat er geen passagier bij de aanrijding betrokken was. Verweerster zou daarom geen reden hebben gehad om hierover te liegen.

Cassatie

Tegen de uitspraak van het hof wordt cassatie ingesteld. Allianz voert aan dat het hof ten onrechte artikel 7:941 lid 5 BW niet heeft toegepast nu zij van mening is dat verweerster Allianz opzettelijk heeft misleid, waardoor het recht op een schadevergoeding moet komen te vervallen.

De Hoge Raad geeft hierop aan dat artikel 7:941 lid 5 BW enkel van toepassing is indien er sprake is van een contractuele verhouding tussen partijen. Dat is bij schade die is gedekt op de WAM niet het geval. De Hoge Raad is dan ook van mening dat een analoge toepassing van artikel 7:941 lid 5 BW niet op zijn plaats is.

Overigens gaat de Hoge Raad wel mee in de klacht van Allianz dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het aan de bewijswaardering voorbij is gegaan. De Hoge Raad is van mening dat uit de gedeeltelijke vrijspraak voor meineed niet meteen volgt dat de overige punten in diezelfde getuigenverklaringen wel voldoende betrouwbaar zijn om daaraan bewijskracht toe te kennen. Het arrest van het hof wordt dan ook vernietigd en de zaak wordt terugverwezen naar een ander hof voor verdere behandeling en beslissing. Wordt vervolgd…

Contact

Heeft u vragen over dit onderwerp? Schroom dan vooral niet om contact met ons op te nemen. U kunt ons bereiken op telefoonnummer 073-6900888, of stuur ons een facebookbericht of een e-mail naar info@jba.nl.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *