In een eerder artikel schreven we al eens over verkeersaansprakelijkheid en de uitleg rondom artikel 185 WVW. Enige tijd geleden, op 7 juli 2017, heeft de rechtbank Noord-Nederland een uitspraak gedaan in een zaak waarin de verkeersaansprakelijkheid een rol speelde. In deze zaak zijn partijen verdeeld over het antwoord op de vraag in welke mate de WAM-verzekeraar aansprakelijk is voor de gevolgen van het verkeersongeval dat verzoekster op 1 december 2016 is overkomen, een causaliteitskwestie dus.

Casus
Op 1 december 2016 omstreeks 08.04 uur heeft er op de Breede in Eemsmond een aanrijding plaatsgevonden tussen een fietsster en een bromfiets. Het ongeval vond plaats ter hoogte van de oprit die toegang geeft tot de woning van de ouders van verzoekster. Komende vanaf de oprit is de fietsster vóór een groep van circa 20 naderende fietsers de weg overgestoken om vervolgens linksaf te slaan. De fietsster heeft ter zitting verklaard dat de groep zich naar haar inschatting op een afstand van circa 2 meter van haar bevond toen zij de weg overstak. Ter hoogte van de oprit, aan de overzijde van de weg, is zij in aanrijding met de bestuurder van de bromfiets gekomen. Deze was op dat moment bezig de groep fietsers in te halen. De bromfiets was ten tijde van het ongeval op grond van de Wet Aansprakelijkheidsverzekering Motorrijtuigen (WAM) verzekerd tegen wettelijke aansprakelijkheid bij Univé.

De fietsster heeft als gevolg van de aanrijding letsel opgelopen. Dit letsel bestaat uit een hersenschudding, een gebroken neus, wonden aan het onderbeen de schouder en de bovenlip. Ook zijn er enkele kneuzingen gediagnosticeerd. De fietsster verzoekt de rechtbank voor recht te verklaren dat Univé de volledige schade dient te vergoeden die zij lijdt als gevolg van het ongeval dat haar op 1 december 2016 is overkomen, althans te bepalen in hoeverre haar enige mate van eigen schuld valt te verwijten.

Standpunt van de fietsster
Een getuige heeft verklaard dat de bromfietser tenminste 60 km/u reed waar een snelheid van 45 km/u was toegestaan. Bij het inhalen van de groep fietsers had de bromfietser zijn snelheid moeten aanpassen. De fietsster is van mening dat het ongeval in overwegende mate is ontstaan door het toedoen van de bromfietser. Gezien de ernst van het letsel van verzoekster dient Univé op grond van de billijkheid te worden veroordeeld tot vergoeding van de volledige schade die verzoekster als gevolg van het ongeval heeft geleden en nog zal lijden.

Standpunt Univé
Univé betwist het standpunt van de fietsster. Zij is van mening dat het ongeval niet in overwegende mate is veroorzaakt door toedoen van haar verzekerde. De fietsster diende op grond van artikel 54 RVV 1990 voorrang te verlenen aan het verkeer op de Breede. Bovendien is de fietsster dicht langs de groep naderende fietsers de weg opgereden, terwijl de bromfietser zijn inhaalmanoeuvre reeds had ingezet. Het stond de bromfietser vrij een inhaalmanoeuvre uit te voeren omdat de linker helft van de rijbaan vrij was. Voorts wordt betwist dat er sprake is van een relevante snelheidsovertreding die aan het ontstaan van het ongeval heeft bijdragen. De snelheidsmeter van de bromfietser gaf een hogere snelheid aan dat hij daadwerkelijk heeft gereden. Univé is van mening dat het ongeval in overwegende mate veroorzaakt is door het handelen van de fietsster . Univé heeft de aansprakelijkheid dan ook voor 50% erkend. Zij betwist dat op grond van de billijkheidscorrectie ruimte bestaat voor een ruimere schadevergoeding.

Hoe zit dit juridisch?
Bij het ongeval zijn een gemotoriseerde (de bromfietser) en een ongemotoriseerde/zwakke (de fietsster) verkeersdeelnemer betrokken. Derhalve is artikel 185 lid 1 WVW van toepassing. Voor de uitleg van artikel 185 lid 1 WVW wordt terugverwezen naar het eerder verschenen artikel op onze website. In ieder geval dient de schade van een ongemotoriseerde verkeersdeelnemer die 14 jaar of ouder is voor 50% te worden vergoed (de 50%-regel). Indien het ongeval en de schade mede zijn ontstaan door gedrag van de gemotoriseerde, komt men tot een verdeling van de schade tussen de gemotoriseerde en de ongemotoriseerde verkeersdeelnemer in evenredigheid met de mate waarin de over en weer gemaakte fouten gevaar voor het ontstaan van het ongeval in het leven hebben geroepen. Dit betreft een beoordeling op grond van artikel 6:101 BW.

Na deze beoordeling volgt nog een billijkheidscorrectie. De billijkheidscorrectie kan de causale verdeling in stand laten, maar kan die verdeling ook aanpassen. Een factor die een rol kan rol spelen bij toepassing van de billijkheidscorrectie is het zogenaamde ‘Betriebsgefahr’. Ook de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten en de ernst van het letsel kunnen worden meegewogen. Op grond van artikel 185 lid 1 WVW is Univé aansprakelijk voor de schade van de fietsster, tenzij er sprake is van overmacht bij de bestuurder van de bromfiets. Univé beroept zich niet op deze tenzij-regel. In dit geval is de 50%-regel van toepassing. Univé is dus gehouden om ten minste 50% van de schade te vergoeden.

De beoordeling
Tussen partijen staat niet in geschil dat de fietsster de uitrit heeft verlaten zonder daarbij voorrang te verlenen aan de voor haar van links komende bromfietser. De overtreding van de voorrangsregel is een gevaarzettende handeling, waarvan een aanrijding als hier heeft plaatsgevonden het voorzienbaar gevolg is. Voor wat betreft de bijdrage van de bromfietser aan het ontstaan van de schade, wordt door de rechtbank overwogen dat de bromfietser een verkeersovertreding heeft begaan en dat zijn snelheid kort voor het ongeval rond de 55 km/u en 60 km/u moet hebben gelegen, waar ingevolge artikel 20 RVV binnen de bebouwde kom (op de rijbaan) 45 km/u was toegestaan. Voorts oordeelt de rechtbank als volgt:

‘Gezien de plaats van het ongeval ter hoogte van de oprit van de woning van de ouders van de fietsster en de omstandigheid dat de fietsster voor de naderende groep fietsers, welke groep haar reeds op een afstand van 2 meter was genaderd, de weg is overgestoken, moet het er voor worden gehouden dat de bromfietser (zeer) weinig tijd heeft gehad te anticiperen op de zich voor hem opdoemende fietsster. Omdat het ongeval zich voor de oprit heeft voorgedaan moet het er voorts voor worden gehouden dat de fietsster de inhaalmanoeuvre langs de grote groep fietsers heeft ingezet op een moment dat de linker helft van de rijbaan (bezien vanaf de bromfietser) voor hem vrij toegankelijk was. Toen de fietsster de weg overstak was de bromfietser dus al bezig met inhalen. Hoewel de remweg van de bromfietser korter zou zijn geweest als hij zich aan de voor hem geldende maximum snelheid had gehouden, acht de rechtbank het niet aannemelijk dat hij de aanrijding dan had kunnen voorkomen. Dit gelet op het feit dat de aanrijding plaatsvond direct nadat de fietsster de (voor haar) rechterweghelft had bereikt. Op dat moment moet zij voor de bestuurder van de bromfiets als het ware “uit het niets” zijn verschenen. Onder de gegeven omstandigheden oordeelt de rechtbank dat het ongeval hoofdzakelijk is veroorzaakt doordat de fietsster de bromfietser geen voorrang heeft verleend. Nu de bromfietser moet worden verweten dat hij een te hoge snelheid heeft gereden, stelt de rechtbank de causale verdeling op 70%-30% ten nadele van de fietsster. Derhalve bestaat op grond van de causaliteitsafweging geen aanleiding af te wijken van voornoemde 50%-regel. Het percentage eigen schuld wordt derhalve op 50% bepaald.’

 Voor wat betreft de billijkheidscorrectie oordeelt de rechtbank als volgt:

‘Gelet op de ernst en verwijtbaarheid van de snelheidsovertreding van de bromfietser afgezet tegen de verkeersovertreding van de fietsster, ziet de rechtbank geen aanleiding voor een nadere billijkheidscorrectie. De fietsster heeft ter gelegenheid van de mondelinge behandeling gesteld dat haar studie vertraging heeft opgelopen en zij als gevolg van het ongeval thans nog kampt met een oorsuizing in haar linkeroor. Evenmin vormt de ernst van het letsel volgens de rechtbank aanleiding om tot een andere verdeling te komen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de fietsster onvoldoende relevante omstandigheden gesteld op grond waarvan een andere verdeling dan de uitkomst van de beoordeling op basis van de causaliteit geraden is. Dit betekent dat Univé 50% van de schade van de fietsster moet vergoeden en dat de resterende schade voor rekening van verzoekster blijft.’

De advocaten van Jeroen Bosch Advocaten zijn het uiteraard niet eens met deze uitspraak.

Contact
De advocaten van Jeroen Bosch Advocaten zijn gespecialiseerd in de behandeling verkeersongevallen en dan met name de verkeersongevallen waarbij zwakke verkeersdeelnemers betrokken zijn. Wij helpen u daarom graag met het verhalen van uw schade. Bent u als (zwakke) verkeersdeelnemer betrokken geraakt bij een ongeval? En u heeft daarbij letsel opgelopen? Dan bent u bij ons op het juiste adres. U kunt ons bereiken op telefoonnummer 073-6900888. Ook kunt u ons een facebookbericht sturen of een e-mail naar of info@jba.nl.

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *