In 1943 werd een zilveren beker uit de Maas opgegraven, ter hoogte van de plaats Stevensweert. De vinder verkocht de beker aan een kunstschilder. Na het overlijden van de kunstschilder kwam de beker in handen van de erfgenamen van de kunstschilder. Deze lieten de beker onderzoeken door het Nederlands Goud en Zilvermuseum, welke aangaf dat de beker weinig waarde had, aangezien er stukjes uit de beker ontbraken en de Engelenkopjes geschonden waren. Vervolgens toonde een edelsmid uit Utrecht, de heer Brom, interesse in de beker. Hij wilde de beker wel kopen. Voor slechts een bedrag van 125 gulden (dat is 50 gulden meer dan de zilverprijs van 75 gulden op dat moment), wordt hij de nieuwe eigenaar van een beker. Later zou blijken dat de beker van onschatbare waarde was en dat deze veel te goedkoop verkocht was. Kort na de verkoop verscheen er een publicatie (waar de oude eigenaren uiteraard lucht van kregen), waaruit bleek dat de beker ontzettend veel geld waard was. Wat nu?

De oude eigenaren startten vervolgens een procedure tegen de heer Brom, de nieuwe eigenaar, en beriepen zich op dwaling. Op die manier wilden zij de koopovereenkomst vernietigen, zodat de beker weer terug zou gaan naar de oude eigenaar. Zij stelden daartoe dat zij ten tijde van de verkoop niet wisten dat de beker een dergelijk uitzonderlijke waarde had en dat als de verkoper had geweten dat de beker zoveel waard was, de verkoop natuurlijk niet was doorgegaan. Er was dus sprake van een verkeerde voorstelling van zaken en een wilsgebrek aan de zijde van de verkoper.

Laten we voorop stellen dat in dit geval zeer zeker sprake was van (wederzijdse) dwaling. Zowel de verkoper als de koper hadden namelijk ten tijde van de (ver)koop niet in de gaten dat de beker zo’n onschatbare waarde had (althans, dat hield de heer Brom vol tot aan de Hoge Raad, de hoogste rechtsprekende instantie in Nederland). “Mijn naam is Haas”, aldus Brom.

De Hoge Raad oordeelde dat een beroep op dwaling niet altijd slaagt. Zo kun je je niet met succes op dwaling beroepen indien volgens de in het verkeer geldende opvattingen (lees: de maatschappelijk opvattingen) de dwaling voor rekening van de dwalende partij behoort komen. De Hoge Raad vond dat de verkoper in dit geval een speculatief object had verkocht en vond het niet in overeenstemming met de wet om achteraf op basis van onwetendheid over de hoge prijs de overeenkomst te vernietigen wegens dwaling. De vergissing kon dus niet ongedaan worden gemaakt.

De Hoge Raad gaf in dit arrest echter wel aan dat een beroep op dwaling wel had kunnen slagen als er andere omstandigheden zouden zijn geweest die een beroep op dwaling zouden hebben gerechtvaardigd. Daarbij moet bijvoorbeeld gedacht worden aan de situatie dat de koper wel degelijk wist van de onschatbare waarde van de beker ten tijde van de verkoop, maar dit vervolgens niet aan de verkoper mededeelt. De goede trouw brengt dan met zich dat de aspirant koper dit moet melden aan de verkoper. Die situatie was hier echter niet aan de orde. Meneer Brom wist namelijk van niets ten tijde van de verkoop.

Helaas voor de verkopers kon de koop dus niet ongedaan gemaakt worden. Brom bleef eigenaar van de Kantharos van Stevensweert.

Contact

Hebt u een vraag op het gebied van kunstrecht, of bent u benieuwd wat wij voor u kunnen betekenen? Bel dan met 073-6900888, stuur een facebookbericht, of stuur e-mail naar info@jba.nl.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *