Hoge Raad geeft antwoord op belangrijke vragen over de aardbevingsschade Groningen

Eerder schreven wij al een artikel over een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland, waarin de rechtbank een oordeel moest geven over de vraag of 127 Groningse huiseigenaren recht hebben op een smartengeldvergoeding omdat zij niet meer met plezier in hun huis wonen en in angst leven vanwege het aardbevingsgevaar. De rechtbank oordeelde destijds dat ook angstschade, zonder lichamelijk letsel of psychiatrisch erkend ziektebeeld, voor vergoeding in aanmerking kwam.

Op 19 juli 2019 heeft de Hoge Raad antwoord gegeven op prejudiciële vragen over de aansprakelijkheid voor schade die het gevolg is van aardbevingen die zich in Groningen voordoen als gevolg van gaswinning uit het Groningenveld. U kunt de uitspraak hier lezen.

De zaak

De gaswinning uit het Groningenveld vindt plaats op basis van een door de Nederlandse Staat aan NAM verleende concessie. Het beleid met betrekking tot de gaswinning op basis van deze concessie wordt gevoerd door de Maatschap, waarin NAM en staatsbedrijf EBN de vennoten zijn. Via de Maatschap delen NAM en EBN het economisch belang bij de gaswinning.

In deze zaak vordert een echtpaar dat boven het Groningenveld woont, van NAM, EBN, de Maatschap en de Staat een vergoeding van de schade die zij hebben geleden als gevolg van de aardbevingen die zijn ontstaan door de gaswinning uit het Groningenveld. De rechtbank Noord-Holland heeft aan de Hoge Raad vragen gesteld over hoe vorderingen als deze moet worden beoordeeld.

Aansprakelijkheid

De Hoge Raad komt tot het oordeel dat zowel de NAM als EBN op grond van risicoaansprakelijkheid kan worden aangesproken. Risicoaansprakelijkheid betekent dat er aansprakelijkheid is zonder dat sprake hoeft te zijn van verwijtbaarheid. In dit geval moet er schadevergoeding worden betaald voor schade die ontstaat door beweging van de bodem – zoals bijvoorbeeld een aardbeving – als die bodembeweging het gevolg is van gaswinning.

Daarnaast oordeelt de Hoge Raad dat de Nederlandse Staat in ieder geval vanaf 1 januari 2005 op de hoogte had moeten zijn van de reële kans op ernstige of wijdverbreide schade door aardbevingen als gevolg van gaswinning. Bij de beantwoording van de vraag óf de Staat ook aansprakelijk is, is beslissend of de Nederlandse Staat heeft nagelaten om vanaf 1 januari 2005 passende en redelijkerwijs te verlangen maatregelen te nemen om dergelijke schade te voorkomen. Die vraag moet door de rechtbank beantwoord worden.

Welke schade komt voor vergoeding in aanmerking?

Op de vraag welke schade die in verband met de aardbevingen door gaswinning voor vergoeding in aanmerking kan komen, antwoordde Hoge Raad – kort samengevat – het volgende.

Allereerst wordt door de Hoge Raad vooropgesteld dat aan een woning of een ander gebouw boven het Groningenveld in beginsel niet de eis kan worden gesteld dat zij zonder schade één of meer aardbevingen kunnen doorstaan. Indien de woning of een ander gebouw als gevolg van de aardbeving beschadigd raakt, kan de toe te kennen schadevergoeding niet worden verminderd om de enkele reden dat die woning of dat gebouw aardbevingen niet zonder schade kon doorstaan.

Een woning boven het Groningenveld kan minder waard zijn doordat potentiële kopers het risico op toekomstige aardbevingen betrekken bij hun inschatting van de waarde van die woning. Bij verkoop van de woning komt deze schade voor vergoeding in aanmerking.

Op de vraag of de waardedaling ook vergoed kan worden als er geen sprake is van daadwerkelijke verkoop of serieuze poging daartoe, kan de Hoge Raad nog geen antwoord geven. De omvang van de schade kan pas begroot worden op het moment dat er sprake is van een voldoende stabiele toestand boven het Groningenveld. Wel kan de rechter aan de benadeelde een voorschot voor deze schade toekennen, wanneer het voldoende zeker is dat door de benadeelde uiteindelijk schade zal worden geleden.

Als iemand die in het bewuste gebied woont woongenot is misgelopen als gevolg van door gaswinning veroorzaakte aardbevingen, komt die schade volgens de Hoge Raad ook voor vergoeding in aanmerking. Die schade moet worden geschat. Als de bewoner ook eigenaar is, kan daarbij worden uitgegaan van het verschil in huur dat de woning zou opbrengen met en zonder het risico op aardbevingen. Als de bewoner huurder is, kan worden uitgegaan van het verschil tussen de marktconforme huur die met het risico op aardbevingen voor de woning betaald zou moeten worden, en de daadwerkelijk betaalde huur.

Tot slot oordeelt de Hoge Raad dat aan een benadeelde onder bepaalde omstandigheden ook smartengeld kan worden toegekend. Een vergoeding is mogelijk als de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen, of als de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen meebrengen dat sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze. Dat zal steeds per geval beoordeeld moeten worden.

En nu?

De Hoge Raad heeft in deze uitspraak antwoord gegeven op de vraag hoe een vordering tot schadevergoeding bij aardbevingsschade moet worden beoordeeld. De Hoge Raad heeft hiermee een soort handleiding opgesteld voor de rechtbank. Het is nu aan de rechters om met deze handleiding aan de slag te gaan.

Contact

Wilt u graag advies over dit onderwerp? Schroom dan vooral niet om contact met ons op te nemen. U kunt ons bereiken op telefoonnummer 073-6900888, of stuur ons een facebookbericht of een e-mail naar info@jba.nl.

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *