Achmea valt door de mand in fraudezaak: beding in verzekeringsvoorwaarden is oneerlijk

De Rechtbank Rotterdam heeft zich op 19 augustus 2022 uitgelaten over de vraag of een verzekerde van Achmea zich schuldig heeft gemaakt aan fraude of de verzekeraar opzettelijk misleid heeft, door geen melding te maken van een aanrijding en vervolgens geen medewerking te verlenen aan een laksporenonderzoek. De uitspraak is op 22 september 2022 gepubliceerd en kunt u hier teruglezen.

Feiten
Een verzekerde van Achmea was op 5 november 2019 betrokken bij een aanrijding met een brommobiel. De brommobiel is als gevolg van de aanrijding beschadigd geraakt. De verzekerde van Achmea heeft aan Achmea verklaard dat zijn auto en de brommobiel elkaar niet hebben geraakt en dat er dus geen schade was. Volgens de verzekerde zou hij de eigenaar van de brommobiel verzocht hebben om de politie in te schakelen, maar de eigenaar van de brommobiel zou dat niet hebben gedaan en zijn weggereden. Achmea heeft zijn verzekerde verzocht om mee te werken aan een laksporenonderzoek, maar deze heeft dit geweigerd.

Op enig moment heeft Achmea bewijs gekregen van de aanrijding tussen de auto van verzekerde en de brommobiel. Achmea is overgegaan tot uitbetaling van een bedrag van € 3.490,00 aan de eigenaar van de brommobiel vanwege diens schade. Vervolgens heeft Achmea aan zijn verzekerde meegedeeld dat zijn verzekeringsovereenkomst zou worden beëindigd en dat zijn gegeven zouden worden opgenomen in het incidentenregister van Achmea voor de duur van acht jaar. Achmea heeft de verzekering beëindigd met ingang van 16 oktober 2020. Achmea maakt jegens zijn verzekerde aanspraak op de door haar als gevolg daarvan geleden schade, bestaande uit de bedragen die zij aan de eigenaar van de brommobiel heeft betaald ter vergoeding van diens schade à € 3.490,00 en van de kosten van door hem ingeroepen rechtsbijstand à € 762,30.

Achmea baseert zijn eis allereerst op de omstandigheid dat zijn verzekerde tegenover Achmea niet naar waarheid heeft verklaard over de omstandigheden rond de aanrijding. Bovendien heeft de verzekerde geweigerd om medewerking te verlenen aan een door Achmea voorgesteld onderzoek naar lakmonsters. Hij is daardoor volgens Achmea tekortgeschoten in de nakoming van de verzekeringsovereenkomst, althans hij heeft daardoor onrechtmatig gehandeld. Ook stelt Achmea zich op het standpunt dat de verzekerde fraude heeft gepleegd en Achmea opzettelijk heeft misleid.

De verzekerde heeft in reconventie een tegenvordering ingesteld. Hij heeft de rechtbank allereerst verzocht Achmea te veroordelen tot het schrappen van zijn naam uit het incidentenregister. Daarnaast heeft hij de rechtbank verzocht om Achmea te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding voor het beëindigen van de verzekeringsovereenkomst en vergoeding van zijn immateriële schade. Door de opname van de gegevens van de verzekerde in het incidentenregister was het afsluiten van een verzekering bij een andere verzekeraar te duur, waardoor hij genoodzaakt was de auto te verkopen. Door de beëindiging van de verzekering en het feit dat hij niet meer gebruik kan maken van een eigen auto zou de verzekerde vermogensschade en immateriële schade geleden hebben. Door hartproblemen kan hij niet goed lopen; nu hij niet meer beschikt over een eigen auto heeft hij daarom moeite om zijn familie te bezoeken.

Oordeel rechtbank

De rechtbank buigt zich allereerst over de vraag of de verzekerde aansprakelijk is voor de door Achmea gestelde schade. De rechtbank is van oordeel dat het verband tussen enerzijds de gestelde tekortkoming of onrechtmatige daad van de verzekerde – inhoudende dat hij de aanrijding niet heeft gemeld en vervolgens heeft geweigerd medewerking te verlenen aan een laksporenonderzoek – en anderzijds het gevorderde bedrag van € 3.490,00 ontbreekt. De rechtbank overweegt dat als de verzekerde al aansprakelijk zou zijn voor de schade, Achmea in elk geval moest uitkeren aan de eigenaar van de brommobiel, zelfs als de verzekerde het ongeval wel direct had gemeld en wel medewerking had verleend aan het laksporenonderzoek. De uitkering die Achmea aan de eigenaar van de brommobiel heeft gedaan is in dat geval dus het gevolg van de aanrijding als zodanig en niet van niet-naleving door de verzekerde van de polisvoorwaarden. De door Achmea gestelde feiten kunnen dus niet leiden tot toewijzing van de vordering van Achmea op dit punt.

Voorts buigt de rechtbank zich over de vraag of sprake is van fraude en opzettelijke misleiding. De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 7:491 lid 5 BW het recht op uitkering vervalt in geval van opzet van de verzekeringnemer om de verzekeraar te misleiden, behoudens voor zover deze misleiding het verval van het recht op uitkering niet rechtvaardigt. Bij de opzet te misleiden moet het gaan om opzet om een (hogere) schadevergoeding te verkrijgen, waarop de verzekeringnemer geen recht zou hebben gehad als de verzekeraar van de ware stand van zaken op de hoogte was geweest. Van artikel 7:491 lid 5 BW kan niet ten nadele van de verzekeringnemer worden afgeweken (zie artikel 7:943 lid 2 BW).

De bepalingen met betrekking tot fraude en verval van uitkering die in de algemene verzekeringsvoorwaarden zijn opgenomen komen inhoudelijk vrijwel overeen met artikel 7:941 lid 5 BW, aldus de rechtbank. In de algemene verzekeringsvoorwaarden is onder andere in artikel 7 opgenomen dat schade niet is verzekerd indien een verzekerde fraude pleegt. Van fraude is volgens voorgenoemd artikel sprake als een verzekerde niet de waarheid vertelt of niet alles vertelt om een (hogere) vergoeding te verkrijgen, of om een verzekering af te sluiten of te houden.

De rechtbank oordeelt dat ook als wordt aangenomen dat hetgeen Achmea stelt juist is, dat nog niet betekent dat de verzekerde fraude heeft gepleegd in de zin van de algemene verzekeringsvoorwaarden of dat hij Achmea opzettelijk heeft misleid in de zin van artikel 7:941 lid 5 BW. Er is namelijk niet gesteld of gebleken dat de verzekerde het doel had om een (hogere) schadevergoeding van Achmea te verkrijgen. Verzwijging van een ongeval of weigering om medewerking te verlenen aan het onderzoek zou er ook niet toe leiden dat de verzekerde een (hogere) uitkering zou krijgen, maar hooguit dat Achmea helemaal geen bedrag zou uitkeren aan de eigenaar van de brommobiel.

Achmea heeft zich tot slot ook nog beroepen op artikel 20 van de verzekeringsvoorwaarden en op het fraudebeleid zoals dat door Achmea op zijn website is gepubliceerd. In artikel 20 van de verzekeringsvoorwaarden is bepaald dat een verzekerde schade en kosten aan Achmea moet terugbetalen als Achmea een schade moet betalen terwijl de verzekerde niet voldeed aan de verzekeringsvoorwaarden. Dat beroep wordt echter ook van tafel geveegd door de rechtbank.

De rechtbank overweegt dat artikel 20 van de verzekeringsvoorwaarden ten nadele van de verzekerde afwijkt van artikel 7:491 lid 5 BW, welk artikel van dwingend consumentenrecht is, en om die reden vernietigbaar is (artikel 3:40 lid 2 BW). De verzekerde heeft zich weliswaar niet op de vernietigbaarheid van het beding beroepen, maar de kantonrechter laat het genoemde beding niettemin buiten toepassing, omdat het als oneerlijk moet worden aangemerkt. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Op grond van artikel 6:233 BW is een beding in algemene voorwaarden vernietigbaar indien het onredelijk bezwarend is voor de wederpartij. Artikel 6:233 BW moet worden uitgelegd in het licht van de Europese Richtlijn 93/13/EEG van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen. Richtlijn 93/13/EEG is van toepassing op overeenkomsten tussen een professionele verkoper of dienstverlener en een consument. Indien een beding in algemene voorwaarden valt onder het bereik van die richtlijn, dan dient de rechter ambtshalve te beoordelen of het een oneerlijk beding in de zin van die richtlijn betreft.

In artikel 3 lid 1 van Richtlijn 93/13/EEG is bepaald dat een beding waarover niet afzonderlijk is onderhandeld als oneerlijk wordt beschouwd indien het, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort. Het moet worden aangenomen dat als volgens dwingend consumentenrecht (dat wil zeggen dwingend recht ter bescherming van een consument in diens verhouding tot een professionele wederpartij) een beding nietig of vernietigbaar is, het beding daarmee ook geldt als oneerlijk in de zin van Richtlijn 93/13/EEG. Als wordt geoordeeld dat het beding oneerlijk is, dan kan de gebruiker van de algemene voorwaarden zich niet met succes op dat beding beroepen.

De rechtbank stelt voorop dat dat de verzekering een overeenkomst is tussen een professionele partij (Achmea) en een consument (de verzekerde). Artikel 20 van de autoverzekeringsvoorwaarden valt daarmee binnen het bereik van Richtlijn 93/13/EEG. Nu artikel 20 van de autoverzekeringsvoorwaarden in strijd is met artikel 7:941 lid 5 BW en die bepaling van dwingend consumentenrecht is, is het beding daarmee oneerlijk en moet het buiten toepassing blijven, aldus de rechtbank.

Gezien het voorgaande wordt de vordering van Achmea inzake de door haar geclaimde schade, bestaande uit de bedragen die zij aan de eigenaar van de brommobiel heeft betaald ter vergoeding van diens schade à € 3.490,00 en van de kosten van door hem ingeroepen rechtsbijstand à € 762,30, afgewezen.

Wat betreft de opname van de verzekerde in het incidentenregister geldt dat Achmea tijdens mondelinge behandeling heeft verklaard dat de gegevens van de verzekerde niet in het incidentenregister zijn geregistreerd, maar alleen in het systeem waarin schadevrije jaren worden geregistreerd. Achmea heeft toegezegd dat als toch zou blijken dat de gegevens van de verzekerde in het incidentenregister zijn opgenomen, zij die registratie onmiddellijk ongedaan zal maken.

De vordering van de verzekerde ten aanzien van de vergoeding van zijn immateriële schade wordt tot slot afgewezen door de rechtbank. De rechtbank begrijpt dat het feit dat de verzekerde niet meer over een eigen auto kan beschikken, mede in verband met zijn gezondheidsproblemen, bij hem tot onbehagen kan leiden en kan afdoen aan zijn levensvreugde. Voor het toekennen van smartengeld is dat echter onvoldoende. Daarvoor zou sprake moeten zijn van geestelijk letsel, maar dat is niet gesteld en daarvan is niet gebleken. De vordering tot vergoeding van vermogensschade wordt eveneens afgewezen, daar deze vordering niet onderbouwd is.

Conclusie
Uit de uitspraak van de rechtbank volgt dat het niet melden van een aanrijding en vervolgens weigeren medewerking te verlenen aan een laksporenonderzoek, niet kan leiden tot de conclusie dat een verzekerde fraude heeft gepleegd of de verzekeraar opzettelijk misleid heeft. Daarnaast komt de rechtbank tot het oordeel dat artikel 20 van de verzekeringsvoorwaarden van Achmea aangemerkt dient te worden als een oneerlijk beding, nu dit artikel in strijd is met artikel 7:941 lid 5 BW.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.