Aanrijding tussen snorscooter en elektrische bakfiets: 50% aansprakelijkheid blijft in stand
Op 5 april 2023 vindt een verkeersongeval plaats tussen een bestuurder van een snorscooter en een vrouw op een elektrische bakfiets. De vrouw, die zwanger is en haar jonge kind in de bakfiets vervoert, loopt ernstig letsel op. In een deelgeschilprocedure verzoekt zij de rechtbank Midden-Nederland om te bepalen dat de WAM-verzekeraar van de scooterrijder, ASR, haar schade volledig moet vergoeden. De rechtbank doet op 13 januari 2026 uitspraak. Het vonnis is gisteren gepubliceerd en kan hier worden nagelezen.
De kwestie
De aanrijding vindt plaats op een kruising waar de vrouw op de bakfiets bij rood licht rechtsaf slaat, gebruikmakend van het bord “rechtsaf voor fietsers vrij”. Direct daarna rijdt zij het fietspad op. De scooterrijder rijdt op dat moment op datzelfde fietspad en heeft groen licht. Enkele meters voorbij het kruisingsvlak komen beide partijen met elkaar in botsing.
De vrouw stelt dat zij door het ongeval niet-aangeboren hersenletsel heeft opgelopen, met aanhoudende klachten zoals cognitieve problemen, hoofdpijn, duizeligheid, overprikkeling, tinnitus en vermoeidheid. Daarnaast zou zij lichamelijke kneuzingen en psychische klachten hebben ontwikkeld.
De vrouw stelt ASR aansprakelijk voor haar schade.
Standpunt ASR
Op 5 mei 2023 erkent ASR aansprakelijkheid op grond van artikel 185 WVW. Daarbij maakt ASR echter meteen een voorbehoud: er is volgens haar sprake van eigen schuld aan de zijde van de vrouw.
ASR stelt zich op het standpunt dat de vrouw geen voorrang heeft verleend aan de scooterrijder. Hoewel zij rechtsaf mocht slaan bij rood licht, moest zij daarbij het overige verkeer voor laten gaan. De scooterrijder had groen licht en reed op het fietspad dat zij opreed. Volgens ASR is de botsing het directe gevolg van het feit dat zij zonder te stoppen het fietspad is opgedraaid. ASR stelt zich derhalve op het standpunt dat zij niet meer dan 50% van de schade van de vrouw hoeft te vergoeden.
De vrouw stelt dat zij geen verkeersfout heeft gemaakt. Volgens haar vond de botsing plaats vier à vijf meter voorbij het kruispunt, zodat de voorrangssituatie van de scooter al zou zijn geëindigd. Zij stelt dat zij gerechtigd was om rechtsaf te slaan en dat zij daarbij zorgvuldig heeft gehandeld. Hij had haar moeten zien aankomen en zijn snelheid moeten aanpassen. Volgens de vrouw was er mogelijk sprake van een inhaalmanoeuvre waarbij onvoldoende afstand is gehouden.
Ter onderbouwing van haar standpunt laat de vrouw een verkeersongevallenanalyse opstellen door een deskundige. In dat rapport wordt onder meer gekeken naar de exacte positie van de voertuigen, de afstanden en de snelheden. Ook wordt gesimuleerd op welke momenten zij zicht had op de scooterrijder. Op basis daarvan wordt betoogd dat de scooterrijder nog op voldoende afstand zou hebben gereden toen de vrouw de bocht nam en het fietspad opreed.
De vrouw is daarnaast van mening dat er een billijkheidscorrectie moet worden toegepast vanwege de ernst van haar letsel, maar ook de omstandigheid dat de schade is verzekerd. ASR wijst dit beroep van de hand, onder andere door de ernst van het letsel en het causaal verband met het ongeval te betwisten.
Procedure
De rechtbank geeft aan dat vaststaat dat de scooterrijder groen licht had. Het bord “rechtsaf voor fietsers vrij” gaf de vrouw weliswaar toestemming om rechtsaf te slaan bij rood licht, maar wel met de verplichting om het overige verkeer voor te laten gaan. De botsing vond plaats slechts enkele meters na het kruispunt. Gezien de snelheden van beide voertuigen en de korte afstand oordeelt de rechtbank dat de vrouw onvoldoende voorrang heeft verleend. Dat zij de scooter niet heeft gezien, komt voor haar rekening.
Tegelijkertijd treft volgens de rechtbank ook de scooterrijder een verwijt. Hij had de bakfiets kunnen waarnemen en had meer kunnen anticiperen door eerder snelheid te minderen. Alles afwegend komt de rechtbank tot een causale verdeling van 75% eigen schuld aan de zijde van de vrouw en 25% aan de zijde van de scooterrijder.
Omdat artikel 185 WVW bepaalt dat een fietser bij ontbreken van overmacht recht heeft op minimaal 50% schadevergoeding, blijft de vergoedingsplicht van ASR steken op dat percentage. De causale verdeling leidt dus uiteindelijk niet tot een andere uitkomst.
Verder ziet de rechtbank geen aanleiding om via een billijkheidscorrectie het percentage te verhogen. De verkeersfout van de vrouw weegt zwaar. Ook de ernst van het letsel staat volgens de rechtbank nog onvoldoende vast, nu medisch adviseurs van partijen van mening verschillen en nader onderzoek ontbreekt. Dat de scooterrijder verzekerd is, is op zichzelf onvoldoende om een hogere vergoeding toe te kennen.
Conclusie
De rechtbank bevestigt dat ASR 50% van de schade van de vrouw moet vergoeden. Hoewel de scooterrijder deels verwijtbaar heeft gehandeld, ligt het zwaartepunt van de schuld bij de vrouw die geen voorrang verleende.
Deze uitspraak is een goed voorbeeld van het idee achter artikel 185 WVW. Door met een gemotoriseerd voertuig deel te nemen aan het verkeer wordt geaccepteerd dat dit een bepaald risico met zich meebrengt. Dat vraagt om extra alertheid bij de bestuurder van het motorvoertuig. Hoewel de gedragingen van de vrouw met de bakfiets voor een groter deel hebben bijgedragen aan het ontstaan van het ongeval, krijgt zij vanuit de beschermingsgedachte voor voetgangers en fietsers alsnog 50% van haar schade vergoed.
Mocht u vragen hebben naar aanleiding van deze blog, neem dan vooral contact met ons op. Dat kan via het telefoonnummer boven in beeld of via info@jba.nl.
