Vrouw valt van losstaande trap, geplaatst door bouwbedrijf tijdens woningverbouwing: wie is aansprakelijk?

Eiseres (hierna te noemen: het slachtoffer) is van een losstaande trap gevallen die tijdens een woningverbouwing door een bouwbedrijf was geplaatst. Zij stelt dat de aansprakelijkheidsverzekeraar van het bouwbedrijf aansprakelijk is voor de schade die zij als gevolg van deze val heeft geleden.

De aansprakelijkheidsverzekeraar van het bouwbedrijf is het hier niet mee eens. Partijen verschillen met name van mening over hoe het slachtoffer ten val is gekomen. De verzekeraar stelt zich op het standpunt dat de toedracht van de val onvoldoende duidelijk is. Daarnaast voert de aansprakelijkheidsverzekeraar aan dat sprake is van (gedeeltelijke) eigen schuld aan de zijde van het slachtoffer.

Het slachtoffer kan zich hierin niet vinden en heeft de zaak voorgelegd aan de rechtbank Midden-Nederland. De rechtbank deed op 28 januari 2026 uitspraak in deze kwestie. De uitspraak is terug te lezen op www.letselschademagazine.nl/2026/RBMNE-280126.

Toedracht van het ongeval

Voor de verbouwing van haar woning heeft het slachtoffer een bouwbedrijf ingeschakeld. Tijdens de werkzaamheden heeft dit bouwbedrijf een losstaande trap geplaatst tussen de eerste verdieping en de vliering. Op 8 november 2023 is het slachtoffer de losstaande trap opgegaan om de vliering te bereiken. Daarbij is zij van een hoogte van ongeveer 3,5 meter achterovergevallen en op de trap terechtgekomen. Als gevolg van deze val heeft het slachtoffer letsel opgelopen.

De aansprakelijkheidsverzekeraar stelt zich op het standpunt dat de toedracht van de val van het slachtoffer onvoldoende duidelijk is. Daarbij wijst zij erop dat het slachtoffer ten tijde van het ongeval alleen in haar woning aanwezig was. Volgens de verzekeraar is de door het slachtoffer gestelde toedracht van het ongeval daarom uitsluitend gebaseerd op haar eigen verklaringen en op de daarvan afgeleide informatie van medische hulpverleners.

Uit de medische informatie volgt echter dat het slachtoffer de toedracht van het ongeval steeds consistent heeft beschreven. Zo heeft zij de toedracht direct na de val toegelicht aan een medewerker van 112, die zij heeft gebeld. Het slachtoffer verklaarde dat de trap instortte en dat zij de trap zag wegvallen. Ook in het ambulanceverslag staat vermeld dat de trap “wegviel” en dat het slachtoffer achteroverviel en op de trap terechtkwam. In het ziekenhuis heeft het slachtoffer eveneens verklaard dat de trap nergens aan was bevestigd en loskwam, waardoor zij achteroverviel. In al haar verklaringen komt naar voren dat de trap is weggegleden, terwijl zij zich daarop bevond.

Daar komt bij dat ook uit verklaringen van de medewerkers van het bouwbedrijf volgt dat de trap verre van stabiel was. Tijdens de mondelinge behandeling heeft een medewerker van het bouwbedrijf verklaard dat hij de trap onveilig vond. Dezelfde medewerker heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat de ondergrond waarop de trap stond (stucloper) geen geschikte en veilige ondergrond was voor een dergelijke trap, vanwege het gladde oppervlak.

De verzekeraar voert ook aan dat het slachtoffer tegenover een elektricien zou hebben verklaard dat zij bij een van de onderste treden een misstap heeft gemaakt. De rechtbank gaat hierin niet mee, mede omdat de verzekeraar op geen enkele wijze concreet heeft gemaakt wanneer het slachtoffer dit zou hebben gezegd. Daarnaast oordeelt de rechtbank dat een misstap bij de onderste treden niet voor de hand ligt, gelet op het letsel dat het slachtoffer heeft opgelopen.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de verzekeraar de door het slachtoffer gestelde toedracht van het ongeval onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. De rechtbank gaat dan ook uit van de door het slachtoffer aangevoerde toedracht.

Onrechtmatige handeling

Het bouwbedrijf mocht er niet zomaar van uitgaan dat het slachtoffer (of iemand anders) zo voorzichtig zou zijn bij het gebruik van de trap dat er geen ongelukken konden gebeuren. Vaststaat dat het slachtoffer niet is gewaarschuwd voor de risico’s van het gebruik van de losstaande trap naar de vliering. Bovendien stond de trap op een met stucloper bedekte en dus gladde vloer.

De trap was meerdere meters hoog, waardoor de gevolgen van een val ernstig konden zijn. Tegelijkertijd had het bouwbedrijf eenvoudig maatregelen kunnen nemen. Zo had de trap kunnen worden weggehaald, tijdelijk vastgezet of had duidelijk kunnen worden aangegeven dat de trap niet gebruikt mocht worden.

De rechtbank is van oordeel dat het bouwbedrijf in dit geval onrechtmatig en gevaarzettend heeft gehandeld.

Geen sprake van eigen schuld

Tot slot voert de aansprakelijkheidsverzekeraar van het bouwbedrijf aan dat het ongeval deels aan de eigen schuld van het slachtoffer te wijten is, waardoor zij een deel van de schade zelf zou moeten dragen. De verzekeraar stelt dat het slachtoffer uit eigen beweging de trap is opgegaan zonder te vragen of dit veilig was, terwijl zij wist dat de trap niet vastzat.

De rechtbank volgt dit standpunt niet. De trap was neergezet door een professionele partij. Daarnaast was bekend dat de vliering regelmatig door de werknemers van het bouwbedrijf werd gebruikt. Het slachtoffer mocht er onder deze omstandigheden dan ook op vertrouwen dat de trap veilig gebruikt kon worden.

Conclusie

Uit de consistente verklaringen van het slachtoffer tegenover de medische hulpverleners en uit de verklaringen van de medewerkers van het bouwbedrijf volgt dat de val van het slachtoffer is veroorzaakt door een instabiele en onveilig geplaatste trap. Het bouwbedrijf heeft door het plaatsen van deze trap op een gladde ondergrond gevaarzettend en daarmee onrechtmatig gehandeld. Tevens is er geen sprake van eigen schuld aan de zijde van het slachtoffer. Op grond hiervan is het bouwbedrijf, en daarmee diens aansprakelijkheidsverzekeraar, volledig aansprakelijk voor de door het slachtoffer geleden schade.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *