Ziekenhuis aansprakelijk voor het handelen van een gynaecoloog

Op 13 januari 2026 wees het Gerechtshof in Leeuwarden een arrest in een zaak tussen enerzijds een moeder en haar kinderen en anderzijds Stichting Isala Klinieken in Zwolle (hierna: Isala). De uitspraak is hier terug te vinden. Het Hof kwam in het arrest tot een andere uitspraak dan de rechtbank in Zwolle in 2024.

De zaak

De zaak gaat over het handelen van een gynaecoloog die zijn eigen zaad gebruikte voor het verwekken van een drieling in 1988. De moeder onderging in 1988 een behandeling in de rechtsvoorgangster van Isala waarbij met de behandelend gynaecoloog was afgesproken dat zij zou worden geïnsemineerd met het zaad van haar toenmalige echtgenoot. Dat gebeurde echter niet: de gynaecoloog gebruikte zijn eigen zaad en heeft de moeder en haar toenmalige echtgenoot hierover niet ingelicht. Als gevolg van de behandeling is een drieling geboren. De moeder en deze kinderen zijn eisende partijen in deze procedure. Zij houden Isala aansprakelijk en stellen dat Isala jegens de moeder is tekortgeschoten in de nakoming van de geneeskundige behandelingsovereenkomst en dat door het schenden van deze overeenkomst door Isala ook onrechtmatig jegens de kinderen is gehandeld. Van belang is ook nog dat de moeder en haar kinderen vinden dat Isala ook in de dossier-, informatie- en nazorgplicht is tekortgeschoten. Ook was in de procedure feitelijk van belang dat Isala de rechtsopvolger is van Stichting Sophia Ziekenhuis, waar de moeder destijds de behandeling onderging. De betreffende gynaecoloog overleed al in 2009 en de toenmalige echtgenoot van de moeder overleed in 2016.

De rechtbank in Zwolle wees de vorderingen af op grond van verjaring, nu het feit zich al in 1988 heeft voorgedaan. Ook oordeelde de rechtbank dat Isala buiten de contractuele verhouding tussen de moeder en de gynaecoloog stond en dat Isala daarmee dus niet is tekortgeschoten of onrechtmatig heeft gehandeld.

De moeder en haar kinderen stelden hoger beroep in tegen dit vonnis en wijzigden hierbij ook hun eis met een uitbreiding daarvan. Ook Isala stelde hoger beroep in en stelde in de procedure bij het Hof dat geoordeeld moest worden dat de behandelingsovereenkomst met de moeder in 1988 tot een einde zou zijn gekomen toen zij zwanger was geworden. Het Hof kwam op 13 januari 2026 tot een ander oordeel dan de rechtbank.

Het oordeel van het Hof

Het Hof verwijst bij de feitenweergave naar de Raad van Bestuur van Isala die eind 2019 de eerste melding ontving van een ouderpaar dat in de jaren tachtig van de vorige eeuw een inseminatiebehandeling had ondergaan bij dezelfde gynaecoloog, waarbij later bij toeval in een verwantschapsonderzoek werd ontdekt dat de uit die behandeling geboren kinderen biologisch aan de gynaecoloog waren verwant. De Raad van Bestuur maakte in oktober 2020 bekend dat deze gynaecoloog in de jaren tussen 1980 en 1994 eigen zaad heeft gebruikt voor inseminatie bij vrouwen die bij hem onder behandeling waren. In maart 2021 is een externe commissie ingesteld door Isala, de Commissie Braat. Deze heeft onderzocht wat er precies is gebeurd en op welke schaal. De commissie presenteerde haar onderzoeksrapport in november 2021 en concludeerde dat er tenminste zeven kinderen gematcht konden worden aan de gynaecoloog.

In september 2021 ontdekte een van de kinderen in deze procedure via een DNA-databank dat hij verwant was aan de gynaecoloog. De moeder heeft Isala op 4 februari 2022 aansprakelijk gesteld en heeft in maart 2022 een gesprek gehad met de Raad van Bestuur van Isala. Isala wees de aansprakelijkheid in maart 2022 af met een beroep op verjaring, met verwijzing naar een uitspraak van de rechtbank Rotterdam.

De kinderen hebben Isala aansprakelijk gesteld in augustus 2023. Ook die aansprakelijkheid is afgewezen met een beroep op verjaring.

In de procedure bij het Hof stelde Isala zich opnieuw op dit standpunt (dat door de rechtbank Zwolle was gehonoreerd) en daarbij stelde zij dat de geneeskundige behandelingsovereenkomst met de moeder niet met Stichting Sophie Ziekenhuis (lees: de rechtsvoorgangster van Isala) is gesloten maar met de gynaecoloog en daarmee de verkeerde partij werd aangesproken in de procedure.

Het Hof oordeelde in het arrest dat deze redenering niet opging en dat de moeder met Sophia een overeenkomst had gesloten, op grond waarvan zij Isala nu kon aanspreken. Ook het beroep op verjaring wees het Hof af. Dit motiveerde het Hof als volgt.

Ten aanzien van de vraag met wie destijds een overeenkomst is gesloten door de moeder overwoog het Hof dat de moeder in 1985 door haar huisarts is verwezen naar de gynaecoloog die toen als enige fertiliteitsarts binnen Sophia werkzaam was. De gynaecoloog voerde de intake en het fertiliteitsonderzoek vervolgens binnen de muren van het ziekenhuis (Sophia) uit. De gynaecoloog stelde vervolgens een zogenoemde KIE-behandeling voor aan de moeder en heeft deze, na toestemming van de moeder en haar toenmalige echtgenoot, ook uitgevoerd. Op medische informatie uit die tijd is het logo van Sophia te zien. Dit betekent volgens het Hof dat de moeder er op grond van al deze feiten en omstandigheden er op mocht vertrouwen dat zij (ook) met het ziekenhuis een overeenkomst sloot voor de behandeling als geheel. Dat de gynaecoloog een vrijgevestigd specialist was en een toelatingsovereenkomst sloot met Sophia maakt dit niet anders (r.o. 3.30). Daarbij gold volgens het Hof ook nog dat Isala als rechtsopvolgster vanaf 2020 zich voordat de procedure werd opgestart nooit op het standpunt heeft gesteld dat zij niet juridisch verantwoordelijk was voor de gebeurtenissen, gezien het ontbreken van een contractuele relatie. Ook werd door Isala zelf geconcludeerd dat het handelen van de gynaecoloog primair zijn eigen verantwoordelijkheid was maar dat het ziekenhuis zelf ook wat steken had laten vallen (r.o. 3.31). Dat betekent dat de moeder dus (ook) met Sophia een overeenkomst had gesloten en in deze procedure Isala als rechtsopvolgster mocht aanspreken.

Vervolgens oordeelde het Hof over het verjaringsverweer. Dit deed het Hof aan de hand van artikel 68a lid 1 jo 73 Overgangswet NBW jo artikel 3:310 BW. Feit is dat de schadeveroorzakende gebeurtenis al in 1988 plaatsvond en dat de absolute verjaringstermijn van 20 jaar die in artikel 3:310 lid 1 BW is opgenomen in 2008 dus al was verstreken. Dat zou tot de conclusie moeten leiden dat de vorderingen verjaard zijn. Het Hof oordeelde dat een uitzondering op deze absolute verjaringstermijn alleen in zeer bijzondere situaties kan worden aangenomen en dat de rechter dus terughoudend moet zijn bij het aannemen van zo’n uitzondering (r.o. 3.35 en 3.36).

De Hoge Raad heeft in het arrest Van Hese/De Schelde uit april 2020 hiervoor een aantal gezichtspunten gegeven die de rechter in de beoordeling moet betrekken. Het Hof betrok een aantal van die maar ook andere gezichtspunten in de beoordeling en kwam tot de conclusie dat het beroep op verjaring van Isala in dit specifieke geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar was. Daarbij gold onder andere dat het in deze zaak gaat om een ernstige inbreuk die is gemaakt op het recht van de moeder op lichamelijke en geestelijke integriteit, op haar zelfbeschikkingsrecht en op het recht van beschikking op gezinsplanning en de vrij keuze voor de genetische kenmerken van de kinderen (r.o. 3.38). Door het gebeuren is de kinderen ook de kans ontnomen om hun biologische vader te kennen nu deze al in 2009 overleed en hebben zij al die tijd in de verkeerde veronderstelling geleefd dat hun juridische vader ook hun biologische vader was. Het is wat het Hof betreft voorzienbaar dat dit zowel bij de moeder als bij de kinderen schade tot gevolg heeft gehad, zoals ook door Isala is erkend. Dit rechtvaardigt doorbreking van de verjaring. Verder gold dat de gebeurtenis zeer verwijtbaar is richting de gynaecoloog nu hij in strijd met de gemaakte afspraken en wensen heeft gehandeld en de moeder noch de toenmalige echtgenoot hierover nooit heeft geïnformeerd. Sophia kan hiervoor ook contractueel aansprakelijk worden gehouden nu zij zich als professioneel ziekenhuis op geen enkele wijze heeft bemoeid met het opzetten van de fertiliteitsafdeling waaraan de gynaecoloog leiding gaf en het dus aan toezicht heeft ontbroken (r.o. 3.40). Ook de commissie Braat stelde dit al vast. Vervolgens gold dat de moeder noch de kinderen voor het verstrijken van de verjaringstermijn in 2008 al rekening had kunnen houden met de mogelijkheid dat Isala aansprakelijk zou kunnen zijn. Zij wisten pas vanaf 2021 dat dit speelde. Ook was het medisch dossier van de moeder gelukkig nog aanwezig en kon dus nog vrij duidelijk worden vastgesteld wanneer welke handelingen zijn verricht. De moeder en de kinderen hebben ook tijdig na de ontdekking Isala aansprakelijk gesteld. Een hoos aan schadeclaims was hierbij ook niet te verwachten omdat het in totaal om zeven kinderen lijkt te gaan.

Op grond van al deze afwegingen oordeelde het Hof dat het beroep op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid in deze omstandigheden onaanvaardbaar is. Het Hof verwees de zaak naar een schadestaatprocedure om daarmee de schade af te gaan wikkelen met de moeder en haar kinderen. Dit omdat jegens de moeder sprake was van een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de behandelingsovereenkomst door de gynaecoloog, waarvoor Isala mede contractueel aansprakelijk was jegens de moeder (r.o. 3.49). Jegens de moeder is ook de dossier- en informatieplicht geschonden, in de periode dat zij onder behandeling was van de gynaecoloog (r.o. 3.62).

Wat betreft de kinderen oordeelde het Hof dat tussen hen en Isala geen contractuele relatie bestaat maar dat door Sophia, naast de gynaecoloog, wel een onrechtmatige daad jegens hen is gepleegd op grond van de maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm (r.o. 3.54). Nu Isala de rechtsopvolgster is van Sophie moet Isala deze schade dus dragen. Het Hof oordeelde dat van een schending van de informatieplicht jegens de kinderen geen sprake was (r.o. 3.61). Daarvoor geldt volgens het Hof dat op de gynaecoloog geen morele of rechtsplicht rustte om naast de moeder ook de kinderen te informeren over zijn handelen en het feit dat hij eigenlijk de biologische vader van hen was.

Conclusie

Het oordeel van het Hof is in zijn algemeenheid goed onderbouwd en goed te volgen, zeker wat betreft het verjaringsvraagstuk. Betwijfeld kan hierbij worden of op de gynaecoloog bij leven geen morele of rechtsplicht rustte om de kinderen te informeren over zijn handelen, als dit door het Hof wel richting de moeder wordt aangenomen en ten aanzien van de kinderen tevens is geoordeeld dat er sprake was van onrechtmatig handelen, hetgeen bestond in het onwetend laten over hun biologische/genetische afkomst (r.o. 3.54) en daarmee in een inbreuk op hun zelfbeschikkings- en persoonlijkheidsrechten.

Heeft u een vraag over de aansprakelijkheid van een ziekenhuis? Neem dan contact met ons op via 073-6900888 of info@jba.nl zodat wij met u de mogelijkheden kunnen bekijken.

 

 

 

 

 

 

 

 

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *